Eiser stelde dat het UWV ten onrechte verschillende nabetalingen van zijn ex-werkgever niet had meegeteld bij het bepalen van zijn dagloon, wat de hoogte van zijn Ziektewetuitkering beïnvloedt. Hij verwees naar een eerdere vaststelling van het maatmanloon in een WIA-procedure waarbij wel een deel van deze nabetalingen was meegenomen.
De rechtbank oordeelde dat voor het dagloon een strenger criterium geldt dan voor het maatmanloon: het loon moet vorderbaar maar niet inbaar zijn en de werknemer moet de werkgever tijdens de referteperiode op ondubbelzinnige wijze hebben gemaand tot betaling. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dit tijdens de referteperiode heeft gedaan, ondanks meerdere kansen om dit te onderbouwen.
De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de nabetalingen niet heeft meegenomen bij de dagloonvaststelling en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter A. de Snoo op 5 februari 2025.