Eiseres betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van haar woning in Utrecht, vastgesteld op € 776.000,- per 1 januari 2022. Zij stelde een lagere waarde van € 700.000,- voor, onder meer vanwege een kleinere gebruiksoppervlakte en een nadelige ligging nabij een sportveld met geluidsoverlast.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen in dezelfde wijk en nabij de waardepeildatum werden gebruikt. De rechtbank oordeelde dat deze referentiewoningen passend en representatief zijn en dat rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte en ligging.
De rechtbank verwierp de argumenten van eiseres over de invloed van de kleinere gebruiksoppervlakte en de ligging, evenals haar kritiek op de gebruikte referentiewoningen en het gebruik van een aankoopprijs uit 2018. De WOZ-waarde werd als niet te hoog vastgesteld beschouwd.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde gehandhaafd blijft en geen proceskostenvergoeding wordt toegekend.