ECLI:NL:RBMNE:2025:5049
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op terugwerkende kracht bijstand op grond van Participatiewet
Eiser was tot 1 april 2024 werkzaam bij een werkgever en ontving daarna een WW-uitkering vanaf 1 mei 2024. Deze WW-uitkering werd op 8 augustus 2024 ingetrokken. Eiser diende op 1 oktober 2024 een aanvraag voor bijstand in met het verzoek om deze met terugwerkende kracht vanaf 2 april 2024 toe te kennen. Het college kende bijstand toe vanaf 1 oktober 2024, waarna eiser bezwaar maakte tegen de ingangsdatum.
De rechtbank behandelde het beroep op 17 september 2025 en stelde vast dat de enige geschilpunt de ingangsdatum van de bijstand was. Eiser voerde aan dat bijzondere omstandigheden bestonden omdat hij zich tijdens een lopende bezwaarprocedure bij het UWV pas later bij het college had gemeld. De rechtbank oordeelde echter dat eiser zich niet spoedig genoeg had gemeld na intrekking van de WW-uitkering en dat het verkeren in bijstandsbehoevende omstandigheden geen bijzondere omstandigheid is die terugwerkende kracht rechtvaardigt.
De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en concludeert dat het college terecht geen bijstand met terugwerkende kracht heeft toegekend. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om bijstand niet met terugwerkende kracht toe te kennen is ongegrond verklaard.