Eisers werden door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beboet met een bestuurlijke boete van €32.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete betrof het werken van acht vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning in panden van eisers.
Eisers voerden aan dat de boete niet aan de juiste overtreder was opgelegd, namelijk het doelvermogen, en dat het lex certa-beginsel werd geschonden. De rechtbank oordeelde dat de boete terecht aan het doelvermogen was opgelegd en dat het begrip doelvermogen voldoende duidelijk is gedefinieerd. Tevens was er voldoende bewijs dat de vreemdelingen daadwerkelijk arbeid verrichtten.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn voor het doen van uitspraak met circa zes maanden was overschreden. Daarom matigde zij de boete met 5%, waardoor de boete werd vastgesteld op €30.400. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen voor zover de hoogte van de boete betreft. Eisers kregen een proceskostenvergoeding van €907 toegekend, maar geen griffierechtvergoeding.
De uitspraak werd gedaan door rechter I. Helmich op 14 februari 2025 te Utrecht.