ECLI:NL:RBMNE:2025:5270
Rechtbank Midden-Nederland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing executie vaststellingsovereenkomst en ontruiming gehuurde
In deze kortgedingprocedure vordert de huurder schorsing van de executie van een proces-verbaal waarin een vaststellingsovereenkomst is vastgelegd, teneinde ontruiming van het gehuurde te voorkomen. Tevens verlangt hij dat de verhuurder een potentiële koper van zijn bedrijf als nieuwe huurder in overweging neemt.
De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst uiterlijk 1 november 2025 met wederzijds goedvinden zou eindigen, maar dat de huurder de huur over augustus 2025 te laat betaalde, waardoor de overeenkomst per 1 september 2025 is geëindigd. De huurder heeft het pand niet ontruimd en ook de huur over september niet betaald. De verhuurder heeft daarom ontruiming aangezegd.
De huurder beroept zich op artikel 2.2 van de vaststellingsovereenkomst dat hem het recht zou geven een koper als nieuwe huurder voor te dragen, maar de verhuurder weigert dit omdat de huurovereenkomst is geëindigd. De kantonrechter oordeelt dat de huurder het pand moet ontruimen en dat de verhuurder niet verplicht is het verzoek van de huurder in te willigen.
Verder is geen sprake van een juridische of feitelijke misslag in het proces-verbaal en evenmin van een noodtoestand die schorsing van de executie rechtvaardigt. Ook is geen misbruik van bevoegdheid door de verhuurder vastgesteld. De vorderingen worden daarom afgewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot schorsing executie en nakoming artikel 2.2 vaststellingsovereenkomst wordt afgewezen; huurder moet pand ontruimen en proceskosten betalen.