ECLI:NL:RBMNE:2025:5318

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
UTR 24/2024
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke zaak tegen college van burgemeester en wethouders

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland op 1 oktober 2025, in de zaak UTR 24/2024, beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht in de proceskosten. Verzoeker had eerder beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen een last onder dwangsom, opgelegd wegens het omzetten van een zelfstandige woning zonder de benodigde vergunning. Na intrekking van het beroep, omdat het college op 8 april 2024 alsnog een besluit had genomen, verzoekt verzoeker om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek, waarop het college heeft aangegeven dat er aanleiding is voor toekenning van proceskosten, maar verzoekt om een wegingsfactor van 0,25 toe te passen. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe en stelt de wegingsfactor vast op 0,5, wat resulteert in een vergoeding van € 453,50. Daarnaast wordt het college verplicht om het door verzoeker betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter M. van der Knijff, in aanwezigheid van griffier L.E. Mollerus, en is openbaar uitgesproken op dezelfde datum.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2024

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.R. van Manen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. N. van Polanen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar gericht tegen het besluit van 6 januari 2022. Bij dat besluit heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens het omzetten en omgezet houden van een zelfstandige woning zonder de benodigde omzettingsvergunning op het adres [adres] in [plaats 2] . Eiser heeft het beroep ingetrokken, omdat het college met het besluit van 8 april 2024 op het bezwaar van eiser heeft beslist en daarbij de last onder dwangsom heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat dat er aanleiding bestaat voor het toekennen van proceskosten aan eiser. Nu het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, verzoekt het college een wegingsfactor van 0.25 toe te passen.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het college aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 18 maart 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Het college heeft op 8 april 2024 alsnog een reëel besluit genomen op het bezwaar van eiser. Hiermee is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet het college aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen.
5.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) te hanteren, maar stelt op basis van vaste jurisprudentie de wegingsfactor vast op 0,5 (licht). [2] Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in deze zaak moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat moet worden uitgegaan van een laag gewicht bij een beroep tegen het niet tijdig beslissen. De vergoeding bedraagt daarom € 453,50. [3]
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden. [4] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253 en de Centrale Raad van Beroep van 6 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2143.
3.Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde van € 907- per punt en factor 0,5.
4.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.