Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaken tussen
[vergunninghouder], uit [plaats] , vergunninghouder.
Rechtbank Midden-Nederland
Deze uitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak van 18 juni 2025 over de omgevingsvergunning voor het transformeren van een bestaand kantoorpand naar 12 appartementen en het bouwen van 12 nieuwe appartementen. In de tussenuitspraak werd geoordeeld dat het college niet bevoegd was om met toepassing van de kruimelgevallenregeling af te wijken van de planregel over parkeren, waarna het college in de gelegenheid werd gesteld het gebrek te herstellen.
Het college heeft vervolgens met twee besluiten van 28 juli 2025 de grondslag gewijzigd en toepassing gegeven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan. Eisers en de vergunninghouder hebben geen zienswijze ingediend tegen deze herstelbesluiten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder nadere zitting.
De rechtbank oordeelt dat het college het gebrek heeft hersteld door te motiveren dat aan de voorwaarden van artikel 29.2 van de planregels is voldaan en dat het afwijken niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De overige beroepsgronden zijn reeds in de tussenuitspraak besproken en verworpen. Het beroep van eiser 1 en de ontvankelijke eisers 2 wordt ongegrond verklaard, het beroep van overige eisers 2 niet-ontvankelijk.
Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser 1 vanwege het geconstateerde gebrek. De rechtbank wijst verder op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het college het gebrek heeft hersteld door toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.