Verzoekster heeft op 19 augustus 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Volgens artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient bij een dergelijk verzoek griffierecht te worden betaald, in dit geval € 385,-.
De rechtbank heeft verzoekster op 27 augustus 2025 aangetekend verzocht het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Deze brief is op 29 augustus 2025 bezorgd. Ondanks deze aanmaning heeft de rechtbank het griffierecht niet (op tijd) ontvangen.
Gezien het ontbreken van een geldige reden voor niet-betaling, verklaart de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De zaak wordt niet inhoudelijk behandeld en er is geen vergoeding van proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.