Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
Samenvatting
Procesverloop
het bestreden besluit)het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en zijn besluit om aan verzoeker geen ZW-uitkering toe te kennen gehandhaafd.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV om hem geen Ziektewet-uitkering toe te kennen per 8 oktober 2024. Het UWV oordeelde dat verzoeker arbeidsgeschikt is en daarom geen recht heeft op de uitkering. Tijdens de bezwaarprocedure bleef dit besluit gehandhaafd na medisch onderzoek.
Verzoeker stelt dat hij dringend een uitkering nodig heeft vanwege het ontbreken van inkomsten sinds november 2024 en de financiële druk die hij ervaart. Hij heeft zijn auto moeten verkopen en wil schulden voorkomen. Zijn partner ontvangt een uitkering van circa €1.600 netto.
De voorzieningenrechter heeft alleen beoordeeld of het UWV-besluit evident onrechtmatig is en of er sprake is van een spoedeisend belang. Gezien het ontbreken van concrete bewijsstukken over een acute financiële noodsituatie, zoals betalingsachterstanden of dreigende uithuiszetting, is het spoedeisend belang niet aangetoond.
De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. De beroepsprocedure tegen het UWV-besluit zal nog inhoudelijk worden behandeld, waarbij de rechtmatigheid van het besluit wordt beoordeeld.
Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.