Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord,
Rechtbank Midden-Nederland
In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een restantfactuur van €5.000 voor belastingadvies en begeleiding bij een echtscheiding. Eiser stelt dat partijen een overeenkomst van opdracht zijn aangegaan voor werkzaamheden tussen maart en september 2024. Hij heeft de kosten gesplitst en aan zowel gedaagde als diens ex-partner een factuur gestuurd.
Gedaagde betwist het bestaan van een overeenkomst en stelt dat hij nooit een opdracht aan eiser heeft gegeven, en dat het werk vooral voor zijn ex-partner was verricht. Tijdens de zitting is toegelicht dat de afspraken vooral met de ex-schoonfamilie zijn gemaakt en dat gedaagde slechts stukken heeft aangeleverd en telefoongesprekken heeft gevoerd.
De kantonrechter stelt vast dat eiser geen schriftelijke overeenkomst of andere bewijsstukken heeft overgelegd waaruit afspraken met gedaagde blijken. Het enkele feit dat gedaagde stukken heeft aangeleverd en telefonisch contact heeft gehad, is onvoldoende om een overeenkomst aan te nemen. Daarom wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot betaling van €5.000 wordt afgewezen wegens ontbreken van een overeenkomst.