ECLI:NL:RBMNE:2025:5625

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
25/011731
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beslissing RC
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om hogere schadevergoeding wegens eenzaam rouwproces na detentie

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 27 oktober 2025 een beslissing genomen in een verzoekschrift van verzoekster, die in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Verzoekster, geboren in 1988, verzocht om een hogere schadevergoeding op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering, omdat zij door haar detentie het verlies van haar vijf maanden oude zoontje niet heeft kunnen delen met haar gezin, wat leidde tot een eenzaam rouwproces. Het verzoekschrift werd op 6 mei 2025 ingediend en op 13 oktober 2025 behandeld in openbare raadkamer. De officier van justitie stelde dat verzoekster recht had op een vergoeding van € 11.390,-, gebaseerd op de dagen doorgebracht in een politiecel en een huis van bewaring, maar wees de hogere vergoeding af omdat verzoekster individueel afscheid had genomen van haar kind en niet aanwezig was bij de uitvaart.

De raadkamer heeft de omstandigheden van de zaak in overweging genomen en oordeelde dat de detentie van verzoekster zwaarder was dan voor de gemiddelde verdachte, vooral door de eenzaamheid in het rouwproces. De raadkamer besloot om een hogere vergoeding toe te kennen van € 120,- per dag voor de dagen doorgebracht in het huis van bewaring, wat resulteerde in een totale vergoeding van € 13.590,-. De beslissing werd genomen door mr. V.A. Groeneveld, rechter, en is openbaar uitgesproken. Verzoekster kan binnen een maand na betekening van de beslissing hoger beroep instellen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Lelystad
Parketnummer: 16-179528-24
Raadkamernummer: 25-011731
Beslissing van de raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [postcode] [plaats] ,
hierna: verzoekster,
domicilie kiezend op het kantoor van haar raadsvrouw, mr. T.S.S. Overes, advocaat te Almere.

Procedure

Het verzoekschrift is binnengekomen op de griffie van deze rechtbank op 6 mei 2025.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
Het verzoekschrift is in openbare raadkamer behandeld op 13 oktober 2025. Gehoord zijn de officier van justitie, verzoekster en haar raadsvrouw.

Verzoek

Het verzoek strekt er toe dat de raadkamer een vergoeding toekent voor de schade die verzoekster ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis stelt te hebben geleden tot een bedrag van € 16.950.-.
Verzoekster is uitgegaan van in totaal 130 dagen verblijf in een huis van bewaring.
In het verzoek wordt gevraagd om een hogere vergoeding dan de standaard vergoeding, omdat verzoekster, die werd verdacht van doodslag op haar zoontje van vijf maanden, door de detentie het verlies van haar kind niet heeft kunnen delen met haar gezin, familie en vrienden waardoor zij eenzaam was in het rouwproces. Verzoekster is niet aanwezig geweest bij de uitvaart van haar kind en de omgang met haar dochters – die vanwege de aanhouding van verzoekster uit huis zijn geplaatst – werd pas na verloop van 2 maanden mogelijk en was beperkt. Bovendien is er negatieve media-aandacht voor verzoekster geweest en wordt zij – ondanks de vrijspraak – bedreigd en uitgemaakt voor kindermoordenaar.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat de vergoeding deels kan worden toegewezen. Daartoe is aangevoerd dat verzoekster in aanmerking komt voor een vergoeding van in totaal € 11.390,- op grond van 3 dagen doorgebracht in een politiecel (à € 130,- per dag) en 110 dagen doorgebracht in een huis van bewaring (à € 100,- per dag).
Verzoekster komt niet in aanmerking voor een hogere vergoeding dan standaard omdat verzoekster individueel afscheid heeft genomen van haar zoontje en het haar keuze was om niet aanwezig te zijn bij de uitvaart. Ook overigens is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen. De aanhouding van verzoekster en de tegen verzoekster gerezen verdenking hebben geleid tot de uithuisplaatsing van haar dochters en het tijdsverloop voordat de omgang tot stand is gekomen. De negatieve media-aandacht en bedreiging zien met name op de periode na de detentie.

Beoordeling

De raadkamer heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen verzoekster als verdachte (met bovenvermeld parketnummer) en van voornoemd verzoekschrift.
De raadkamer gaat bij de beoordeling van de onderhavige verzoeken uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
verzoekster is op 31 mei 2024 in verzekering gesteld, en is op 3 juni 2024 in bewaring gesteld en de voorlopige hechtenis is geschorst/opgeheven met ingang van 20 september 2024;
in totaal gaat het om 3 (hele) dagen, doorgebracht in een politiebureau en 110 dagen doorgebracht in een huis van bewaring;
bij onherroepelijk geworden vonnis van 28 maart 2025 is verzoekster door de meervoudige kamer in deze rechtbank vrijgesproken.
Nu de strafzaak van verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, kan hij aanspraak maken op een vergoeding van de schade die is geleden ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis. Schadevergoeding wordt toegekend indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De raadkamer ziet in hetgeen is aangevoerd aanleiding om een hogere dan de gebruikelijke vergoeding toe te kennen omdat verzoekster, die werd verdacht van doodslag op haar zoontje van vijf maanden, door de detentie het verlies van haar kind niet heeft kunnen delen met haar gezin, familie en vrienden, waardoor zij tijdens de detentie eenzaam was in het rouwproces. Verzoekster is niet aanwezig geweest bij de uitvaart van haar kind en de omgang met haar dochters – die vanwege de aanhouding van verzoekster uit huis zijn geplaatst – werd pas na verloop van 2 maanden mogelijk en was beperkt. Verzoekster werd verdacht van een ernstig misdrijf dat maatschappelijke beroering en negatieve en (naar haar persoon herleidbare media-aandacht) heeft veroorzaakt.
De raadkamer oordeelt dat de detentie van verzoekster onder deze omstandigheden inderdaad zwaarder moet zijn geweest dan voor de gemiddelde verdachte. Het zwaartepunt ligt daarbij naar het oordeel van de raadskamer op de eenzaamheid van het rouwproces. De raadkamer ziet onder deze omstandigheden aanleiding om af te wijken van de forfaitaire bedragen uit de LOVS-oriëntatiepunten en oordeelt dat een vergoeding van € 120,- per dag doorgebracht in het huis van bewaring billijk is.
De raadkamer is van oordeel dat verzoeker alles in aanmerking genomen een vergoeding toekomt van in totaal € 13.590,-.
De raadkamer gaat daarbij uit van de dagen doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis als hierboven opgenomen en van de bedragen die over het algemeen worden toegekend als vergoeding daarvoor, te weten: 3 dagen à € 130,- en 110 dagen à € 120,-.
Het verzoek zal dus deels worden toegewezen.

Beslissing

De raadkamer:

kent toeaan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding ten bedrage van € 13.590,- (dertienduizend vijfhonderd negentig euro);

beveeltde griffier van deze rechtbank voormeld bedrag aan verzoeker uit te betalen op rekeningnummer [rekeningnummer] , t.n.v. Overes Law Holding B.V., onder vermelding van [nummer] ;

wijst afhet verzoek voor het overige.
Deze beslissing is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, rechter, als lid van de enkelvoudige raadkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 27 oktober 2025.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beslissing.
Tegen deze beslissing staat voor het openbaar ministerie hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na de genomen beslissing.