In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 27 oktober 2025 een beslissing genomen in een verzoekschrift van verzoekster, die in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Verzoekster, geboren in 1988, verzocht om een hogere schadevergoeding op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering, omdat zij door haar detentie het verlies van haar vijf maanden oude zoontje niet heeft kunnen delen met haar gezin, wat leidde tot een eenzaam rouwproces. Het verzoekschrift werd op 6 mei 2025 ingediend en op 13 oktober 2025 behandeld in openbare raadkamer. De officier van justitie stelde dat verzoekster recht had op een vergoeding van € 11.390,-, gebaseerd op de dagen doorgebracht in een politiecel en een huis van bewaring, maar wees de hogere vergoeding af omdat verzoekster individueel afscheid had genomen van haar kind en niet aanwezig was bij de uitvaart.
De raadkamer heeft de omstandigheden van de zaak in overweging genomen en oordeelde dat de detentie van verzoekster zwaarder was dan voor de gemiddelde verdachte, vooral door de eenzaamheid in het rouwproces. De raadkamer besloot om een hogere vergoeding toe te kennen van € 120,- per dag voor de dagen doorgebracht in het huis van bewaring, wat resulteerde in een totale vergoeding van € 13.590,-. De beslissing werd genomen door mr. V.A. Groeneveld, rechter, en is openbaar uitgesproken. Verzoekster kan binnen een maand na betekening van de beslissing hoger beroep instellen.