Verzoekster werd verdacht van doodslag op haar vijf maanden oude zoontje en verbleef 3 dagen in verzekering en 110 dagen in voorlopige hechtenis. Tijdens deze periode kon zij het verlies van haar kind niet delen met familie en vrienden, wat het rouwproces eenzaam maakte. Zij was niet aanwezig bij de uitvaart en de omgang met haar dochters was beperkt vanwege hun uithuisplaatsing.
Na haar vrijspraak op 28 maart 2025 vroeg verzoekster een schadevergoeding van €16.950,- toegekend te krijgen, hoger dan de standaardvergoeding. Het Openbaar Ministerie stelde een vergoeding van €11.390,- voor, gebaseerd op standaardbedragen per dag in politiecel en huis van bewaring, en wees een hogere vergoeding af.
De raadkamer oordeelde dat de detentie onder deze omstandigheden zwaarder was dan gemiddeld, met name door de eenzaamheid in het rouwproces en de maatschappelijke impact van de verdenking. Daarom werd afgeweken van de standaardvergoeding en een hogere vergoeding van €13.590,- toegekend. Het verzoek voor het meerdere werd afgewezen.