De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de WOZ-waarde van een woning voor het belastingjaar 2024 vast op €567.000,-. Eiser ging hiertegen in bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde de heffingsambtenaar in het verweerschrift de waarde bij naar €555.000,-, onderbouwd met een taxatiematrix.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk heeft gemaakt met de taxatiematrix, waarin drie vergelijkbare woningen zijn gebruikt die recentelijk rondom de waardepeildatum zijn verkocht. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de waardevaststelling.
Eiser voerde aan dat onjuiste gegevens waren gebruikt, zoals een te grote aanbouw en overkapping, en dat de keuken gedateerd was. De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar de juiste objectkenmerken heeft verwerkt en dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor een lagere waardering van het voorzieningenniveau. Ook de door eiser voorgestelde woning uit 2019 is te ver van de waardepeildatum verwijderd om als vergelijkingsobject te dienen.
De rechtbank bepaalt dat de WOZ-waarde wordt vastgesteld op €555.000,- en draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter Visser op 30 oktober 2025.