De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende per 1 januari 2021 vast op €679.000, later verlaagd naar €650.000 na bezwaar. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €435.000 voor. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de zitting op 3 april 2025 werd onder meer de taxatiematrix van de heffingsambtenaar besproken, waarin vergelijkingsobjecten werden gebruikt om de waarde te bepalen. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede gelet op de marktkoopprijs van een vergelijkbare woning.
Belanghebbendes argumenten over een onrealistische waardestijging, slechte onderhoudstoestand en waardedrukkend effect van asbest bij de buren werden verworpen. Het Hof vond dat de onderhoudstoestand gemiddeld was meegenomen en dat de asbestsituatie geen waardevermindering rechtvaardigde.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.