Eiseres vordert betaling van €27.060,16 van gedaagde op grond van een geldleningsovereenkomst uit 2019. De lening diende uiterlijk op 30 december 2019 te worden terugbetaald, maar betaling bleef uit. Gedaagde erkent de overeenkomst maar voert verjaring, redelijkheid en billijkheid en afboeking van de vordering aan als verweren.
De rechtbank oordeelt dat de vordering niet verjaard is omdat eiseres de verjaring rechtsgeldig heeft gestuit met een aanmaningsbrief van 16 november 2021. Deze brief voldeed aan de wettelijke eisen en was rechtsgeldig ondertekend. Daarnaast is geen sprake van rechtsverwerking of strijd met redelijkheid en billijkheid, omdat gedaagde onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft gesteld.
Verder is vastgesteld dat de vordering niet is afgeboekt, maar slechts een voorziening wegens mogelijke oninbaarheid is opgenomen in de jaarstukken. Gedaagde heeft de afboeking onvoldoende onderbouwd en haar bewijsaanbod wordt gepasseerd. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente vanaf dagvaarding en proceskosten.