Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden van een woning en een winkelruimte in twee verschillende plaatsen. De heffingsambtenaar stelde de waarden vast op respectievelijk € 405.000 en € 310.000, welke waarden na bezwaar deels werden gehandhaafd of aangepast. De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de WOZ-waarden aan de hand van taxatiematrices, vergelijkingsmethoden en huurwaardekapitalisatiemethoden en concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarden niet te hoog zijn vastgesteld.
Het procederen door de gemachtigde van eiser werd als onsamenhangend en onvoldoende inhoudelijk beoordeeld, waarbij alleen de inhoudelijke 'verbijzonderingsbrief' in behandeling werd genomen. Gronden die niet tijdig of onvoldoende specifiek waren aangevoerd, werden buiten beschouwing gelaten. Een beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet werd niet ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 1 jaar en 7 maanden in de bezwaar- en beroepsfase samen. Op grond hiervan werd een immateriële schadevergoeding toegekend van € 2.000,-, welke werd verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat naar mate van verwijtbaarheid. Daarnaast werden proceskosten en griffierecht aan eiser vergoed. De rechtbank wees erop dat uitbetaling alleen mag plaatsvinden op een bankrekening op naam van eiser.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier M.A. Barmentlo op 29 oktober 2025. Het hoger beroep staat open binnen zes weken na verzending van de uitspraak.