ECLI:NL:RBMNE:2025:5719
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde niet-woning en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een niet-woning voor het belastingjaar 2021, vastgesteld op € 434.000,-. De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de rechtbank de gebruikte huurwaarde en kapitalisatiefactor aannemelijk achtte. Eiseres heeft voorafgaand aan de zitting geen specifieke gronden tegen de WOZ-waarde aangevoerd en tijdens de zitting werden alleen inhoudelijke gronden uit de 'verbijzonderingsbrief' meegenomen, terwijl overige gronden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing bleven.
Eiseres voerde ook aan dat de opbrengstlimiet was overschreden, maar deze beroepsgrond werd wegens tardiviteit en onvoldoende onderbouwing buiten beschouwing gelaten. Daarnaast verzocht eiseres om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde dat de totale procedure 4 jaar en 5 maanden duurde, wat 2 jaar en 5 maanden langer is dan de redelijke termijn, en kende daarom een schadevergoeding toe van € 2.500,-, verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat.
De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar en de Staat tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiseres, waarbij de vergoeding werd gebaseerd op het oude tarief vanwege het tijdstip van de overschrijding. De uitspraak benadrukt dat de betalingen uitsluitend op een bankrekening op naam van eiseres mogen worden voldaan. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het verzoek om immateriële schadevergoeding en proceskosten werd toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar eiseres krijgt een immateriële schadevergoeding en proceskosten toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.