In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 14 oktober 2025, gaat het om een beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen de Dienst Toeslagen. Eiseres stelt dat verweerder niet tijdig heeft beslist op haar bezwaar van 29 januari 2025 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank heeft geen zitting gehouden, omdat dit in deze zaak niet nodig werd geacht. De rechtbank overweegt dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep kan worden ingesteld, zodra het bestuursorgaan in gebreke is en twee weken zijn verstreken na een schriftelijke ingebrekestelling. In deze zaak is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Eiseres heeft verweerder op 4 augustus 2025 in gebreke gesteld en heeft meer dan twee weken later, op 18 augustus 2025, beroep ingesteld.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op alsnog een besluit te nemen binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen en verwijst naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is geoordeeld dat een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn realistisch is. In deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk op 29 juli 2026 een besluit op bezwaar bekend moet maken.
Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat hij de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten van € 453,50 en het door haar betaalde griffierecht van € 53,- moet door verweerder worden vergoed. De uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, en is openbaar uitgesproken op 25 oktober 2025.