Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag en stelde dat verweerder niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist. Nadat verweerder in gebreke werd gesteld op 29 juli 2025, stelde eiseres op 29 augustus 2025 beroep in tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de wettelijke beslistermijn is overschreden. Verweerder wordt opgedragen alsnog binnen een realistische termijn, vastgesteld op uiterlijk 21 september 2026, een besluit op bezwaar te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag vertraging na deze termijn. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht.
De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de redelijke beslistermijn bij niet tijdig beslissen op bezwaar. De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich en griffier M.A.W.M. Engels op 13 oktober 2025.