Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag en stelt dat verweerder niet tijdig op dit bezwaar heeft beslist. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat eiser tijdig een beroep heeft ingesteld nadat verweerder in gebreke is gesteld.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en bepaalt een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, met een uiterste datum van 23 juli 2026 voor verweerder om een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het betaalde griffierecht. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.