In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 16 oktober 2025, staat het verzoek van verzoekster centraal om vergoeding van haar proceskosten. Verzoekster had eerder een aanvraag ingediend voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag op 15 november 2023. Omdat verweerder, de Dienst Toeslagen, niet tijdig op deze aanvraag had beslist, heeft verzoekster beroep ingesteld. Op 23 juni 2025 heeft verweerder alsnog een besluit genomen, waarna verzoekster haar beroep heeft ingetrokken en om proceskostenvergoeding heeft verzocht. Verweerder heeft echter niet gereageerd op dit verzoek.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep oorspronkelijk was ingediend bij de rechtbank Limburg, maar dat deze zaak is doorgestuurd naar de Rechtbank Midden-Nederland, die bevoegd is om te oordelen. De rechtbank heeft besloten dat een zitting niet nodig is en heeft de proceskosten van verzoekster vastgesteld op € 453,50. Dit bedrag is gebaseerd op de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Verweerder is ook verplicht om het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden, zoals bepaald in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
De rechtbank heeft verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing. Verzoekster heeft de mogelijkheid om een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens is met deze uitspraak, binnen zes weken na verzending.