Verzoekster diende op 15 november 2023 een aanvraag in voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Verweerder, de Dienst Toeslagen, besloot pas op 23 juni 2025 op deze aanvraag, wat volgens verzoekster te laat was. Verzoekster stelde daarom beroep in tegen het niet tijdig beslissen, maar trok dit beroep in nadat verweerder alsnog een besluit had genomen. Vervolgens vroeg verzoekster vergoeding van haar proceskosten.
De rechtbank Midden-Nederland, als bevoegde rechtbank, behandelde het verzoek tot proceskostenvergoeding zonder zitting. Verweerder reageerde niet op het verzoek, maar gaf in een verweerschrift aan dat verzoekster in aanmerking komt voor vergoeding. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht stelde de rechtbank de proceskostenvergoeding vast op €453,50, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor vanwege de beperkte aard van het geschil.
Daarnaast is verweerder verplicht het door verzoekster betaalde griffierecht van €53,- te vergoeden volgens artikel 8:41, zevende lid, Awb. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskostenvergoeding aan verzoekster. De uitspraak werd gedaan door rechter I. Helmich op 16 oktober 2025.