Op 24 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen een verzoekster en de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De verzoekster had op 29 augustus 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van het Uwv van 10 januari 2025. De rechtbank heeft echter besloten om partijen niet uit te nodigen voor een zitting, omdat verzoekster het griffierecht niet op tijd had betaald. Dit griffierecht bedraagt € 53,- en is verplicht volgens artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft op 2 september 2025 een aangetekende brief naar verzoekster gestuurd, waarin zij werd geïnformeerd dat het griffierecht binnen twee weken betaald moest worden. Deze brief is echter niet door verzoekster afgehaald en is aan de rechtbank geretourneerd. Vervolgens is de brief per gewone post opnieuw verzonden, maar de rechtbank heeft het griffierecht niet op tijd ontvangen. Hierdoor kon de rechtbank het verzoek niet inhoudelijk behandelen, en werd het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geen proceskostenvergoeding toegewezen, en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.