ECLI:NL:RBMNE:2025:6094

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/3995
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslistermijn overschreden door UWV, rechtbank gebiedt binnen vier maanden besluit te nemen

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van 24 mei 2023 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het UWV heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, wat aanleiding gaf tot beroep bij de rechtbank Midden-Nederland.

De rechtbank constateert dat het UWV te laat is met het nemen van een beslissing en dat eiseres tijdig een ingebrekestelling heeft gestuurd. Hoewel het UWV betoogt dat het beroep onredelijk laat is ingediend, oordeelt de rechtbank dat eiseres redelijkerwijs mocht verwachten dat het UWV nog zou beslissen, mede vanwege bekende achterstanden bij het UWV.

De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen vier maanden na verzending van dit vonnis alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast wordt het griffierecht en een deel van de proceskosten aan eiseres toegekend.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding, griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3995

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen

[bedrijf] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C. Janssen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 30 juni 2023 tegen het besluit van 24 mei 2023.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar bezwaarschrift ingediend op 30 juni 2023. Verweerder heeft
het bezwaarschrift ontvangen op 30 juni 2023. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 16 juli 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 26 januari 2024 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
Beroep onredelijk laat?
4. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat het beroep onredelijk laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank is het daar niet mee eens en legt hierna uit waarom.
4.1
Artikel 6:12, vierde lid, van de Awb bepaalt dat de betrokkene binnen een redelijke termijn beroep moet instellen. Hoewel de betrokkene niet binnen een bepaalde termijn beroep hoeft in te stellen, geldt wel dat de betrokkene dit niet onredelijk laat moet doen. Wanneer sprake is van een onredelijk laat beroep kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald en dit wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Wel blijkt uit de rechtspraak dat van belang is of de betrokkene er nog vanuit mocht gaan dat het bestuursorgaan nog een besluit zou nemen. In dat verband kan ook van belang zijn of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen betrokkene en bestuursorgaan. [2]
4.2
In dit geval is de rechtbank van oordeel dat eiseres er nog van uit mocht gaan dat er nog een besluit zou komen. Het is immers algemeen bekend dat verweerder al langere tijd kampt met een groot tekort aan verzekeringsartsen en dat claim- en herbeoordelingen en de afhandelingen van bezwaren daardoor erg lang op zich laat wachten.
De rechtbank kan begrijpen dat eiseres niet direct juridische stappen heeft ondernomen omdat zij op de hoogte is van de achterstanden bij verweerder. Verder heeft eiseres meermalen contact gehad met verweerder om de stand van zaken op te vragen.
Het is naar het oordeel van de rechtbank niet wenselijk dat een betrokkene onder deze omstandigheden te snel wordt tegengeworpen dat hij niet eerder beroep heeft ingesteld.
Hoe nu verder?
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
6. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [3] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

8. Het beroep is ontvankelijk en gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
9. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan
eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:338