4.5.Door het ontbreken van een inventarislijst valt niet te controleren welke documenten het college wel of niet met het primaire besluit dan wel het bestreden besluit openbaar heeft willen maken. De rechtbank gaat er echter van uit dat de stukken die met het verweerschrift zijn overgelegd openbaar zijn gemaakt op basis van het primaire besluit dan wel het bestreden besluit tot openbaarmaking van deze gegevens. Het gaat dan om de feitelijke uitvoering van het besluit tot openbaarmaking van informatie en niet om een aanvullend besluit tot openbaarmaking, zodat er op dit punt geen sprake is van een gebrek in de besluitvorming. De ontbrekende bijlagen zal college alsnog feitelijk openbaar moeten maken.
Zoekslag correspondentie andere kopers van gemeentelijke gronden (rubriek D)
5. Het college heeft alle stukken uit rubriek D integraal geweigerd met een beroep op artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. In dat artikel is (voor zover voor deze zaak van belang) bepaald dat openbaarmaking in uitzonderlijke gevallen achterwege kan blijven als openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt.
6. Eiseres voert aan dat het college de stukken die vallen onder rubriek D niet heeft opgezocht of geïnventariseerd en dat dat in strijd is met de Woo. Het college moet per document of onderdeel daarvan motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Eiseres voert verder aan, onder verwijzing naar het advies van de Commissie, kamerstukken en twee uitspraken, dat het college de weigeringsgrond artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo, onjuist heeft toegepast.Het college heeft namelijk niet gemotiveerd en niet inzichtelijk gemaakt waarom andere kopers onevenredig benadeeld worden bij openbaarmaking van deze documenten. Daarnaast zou een daadwerkelijke beoordeling van de belangen van de kopers niet leiden tot een uitzonderlijk geval dat op grond van dit artikel geweigerd kan worden. Het college heeft ook niet gemotiveerd waarom zij informatie over de door DGO te betalen koopsom, de eventuele nabetaling op de koopsom en/of de toepassing van de gemeentelijke grondprijssystematiek en het project [naam] juist wel openbaar heeft gemaakt. Ook heeft het college de belangen niet juist gewogen. Het college moet niet de belangen wegen tussen kopers enerzijds en DGO anderzijds, maar de benadeling van het belang van kopers tegenover het algemeen belang van openbaarmaking. Tot slot stelt eiseres nog dat het college in een eerder Woo/Wob-verzoek over het project Gizeh wel is overgegaan tot openbaarmaking van communicatie over de toepassing van de grondprijssystematiek voor andere kopers van gemeentelijke grond(en).
7. Het college heeft gesteld dat het de documenten van rubriek D niet heeft geïnventariseerd en handhaaft de motivering dat het openbaarmaking integraal heeft mogen weigeren met een beroep op artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. Communicatie met kopers over de uiteindelijke grondprijs is volgens het college niet geschikt om openbaar te maken voor een ieder. Enerzijds niet omdat de grondprijssystematiek een bepaalde ruimte biedt voor onderhandeling (‘buiten haakjes plaatsen’, zoals dat ook bij eiseres is toegepast), en anderzijds niet omdat de gemeente geen inzicht kan geven in hoe een koper de kosten en/of prijzen in een project opbouwt. De informatie kan volgens het college concurrentiegevoelig zijn en kan leiden tot onevenredige benadeling van kopers. Daarnaast gaat het om tientallen projecten en kopers en blijft er bij het weglakken van concurrentiegevoelige informatie geen relevante informatie over.
8. De rechtbank stelt vast dat het college geen documenten van rubriek D heeft geïnventariseerd en er geen zoekslag heeft plaatsgevonden naar stukken die onder rubriek D zouden kunnen vallen.
9. De rechtbank stelt verder vast dat door het ontbreken van een inventarisatie van documenten die onder rubriek D vallen, niet duidelijk is welke documenten het college weigert openbaar te maken en welke belangen daarbij gewogen zijn. Het college moet alsnog de stukken die vallen onder rubriek D inventariseren en bij toepassing van weigeringsgronden per onderdeel aangeven op welke grond geweigerd wordt en waarom. Als openbaarmaking van documenten door het weigeren van openbaarmaking van onderdelen daarvan (lakken) zinledig wordt, dan kan het college openbaarmaking van die documenten (nogmaals) weigeren, maar de rechtbank moet een dergelijke weigering wel kunnen controleren. Dat het volgens het college om tientallen projecten en kopers gaat, is geen reden om niet over te gaan tot inventarisatie en beoordeling op grond van de Woo. Dat het Woo-verzoek gebruikt wordt als pressiemiddel voor een civiele procedure, wat het college in het verweerschrift stelt, is - als dit al juist is – is onvoldoende om openbaarmaking te weigeren.
10. De rechtbank geeft het college mee dat artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo, onder meer bepaalt dat het een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet daarnaast ook op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden mag baseren. Het college kan dus niet zoals zij nu heeft gedaan openbaarmaking van informatie onder rubriek D weigeren met toepassing van artikel 5.1, vijfde lid van de Woo en daarnaast ook op grond van (onder meer) artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo.
Heeft het college met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo openbaarmaking van passages in documenten die vallen onder rubriek A tot en met E mogen weigeren?
11. Het college heeft in de openbaar gemaakte stukken delen weggelakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo. De Woo bepaalt daar dat openbaarmaking achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
12. Eiseres voert aan dat het college bovengenoemde weigeringsgrond onjuist heeft toegepast. Zij stelt dat openbaarmaking van informatie die betrekking heeft op het beroepsmatig handelen van personen niet op deze grondslag kan worden geweigerd. Onder verwijzing naar diverse uitspraken betoogt eiseres dat de namen van personen die zich uit hoofde van hun functie in de openbaarheid presenteren, openbaar gemaakt moeten worden.Ook wijst eiseres erop dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het uitgangspunt is dat de uitzondering met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer geen betrekking heeft op beroepsmatig handelen van personen.Het college had daarom in ieder geval de naam van de wethouder openbaar moeten maken. Verder betoogt eiseres dat het college ook de namen openbaar moet maken van personen die zich niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid presenteren, omdat die namen noodzakelijk zijn voor de duiding van de stukken. In ieder geval moeten de e-mailextensies openbaar worden gemaakt.
13. De rechtbank overweegt dat eiseres terecht stelt dat de namen van ambtenaren die zich op grond van hun functie in de openbaarheid presenteren, openbaar moeten worden gemaakt. Dit geldt ook voor leden van het college van burgemeester en wethouders. En eiseres stelt in dit verband ook terecht dat het feit dat de wethouder niet meer werkzaam is voor de gemeente, geen reden is om openbaarmaking achterwege te laten. Dat eiseres bekend is met de naam van de wethouder betekent niet dat het college de naam niet openbaar hoeft te maken, omdat de Woo openbaarmaking voor een ieder beoogt. Voor zover het college namen van projectleiders en teamhoofden heeft weggelakt, moet het motiveren waarom deze functionarissen niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden.
De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar betoog dat de namen van ambtenaren/personen die zich niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid presenteren openbaar moeten worden gemaakt. Dit is slechts anders als eiseres aannemelijk maakt dat het belang van openbaarheid zwaarder weegt. Dat heeft eiseres met de enkele stelling dat zij de namen nodig heeft voor duiding van de documenten niet aannemelijk gemaakt.
14. Wat betreft de e-mailextensies is de rechtbank van oordeel dat deze openbaar gemaakt moeten worden, tenzij het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Het college stelt zich op het standpunt dat het gehele e-mailadres als persoonsgegeven moet worden gezien, omdat dat kan worden herleid naar personen. Die stelling is echter te algemeen om ook openbaarmaking van de e-mailextensies te weigeren.Het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is ook niet aan de orde als, zoals in het bestreden besluit is overwogen, de anonimiseringssoftware de e-mailadressen in zijn geheel anonimiseert. Die software gaat kennelijk uit van het onjuiste uitgangspunt dat het gehele e-mailadres, inclusief de extensie met de domeinnaam, altijd een persoonsgegeven is. Het beroep is op dit punt gegrond.