Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning uit 2008, gelegen aan een adres in een Nederlandse plaats, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op € 941.000,- per 1 januari 2022. Na bezwaar en een bestreden uitspraak die de waarde handhaafde, is beroep ingesteld bij de rechtbank.
De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen uit de nabije omgeving zijn opgenomen. De rechtbank oordeelt dat deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn qua gebruiksoppervlakte, bouwjaar en doelmatigheid en dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Eiser voert aan dat de WOZ-waarde te hoog is omdat de relatieve prijsstijging van zijn woning en vergelijkbare woningen in de straat niet in verhouding staan tot de verkoopprijzen uit 2008. De rechtbank wijst dit beroep af omdat de Wet WOZ geen waardebepaling op basis van eerdere WOZ-waarden toestaat en het gelijkheidsbeginsel alleen geldt bij identieke woningen, wat eiser niet heeft aangetoond.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de WOZ-waarde. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.