Betrokkene kreeg een boete van €370 voor het niet verzekerd zijn van een bromfiets na een RDW-registercontrole op 29 december 2022. Het administratief beroep werd ongegrond verklaard door de officier van justitie. Betrokkene stelde vervolgens beroep in bij de kantonrechter, dat vooral gericht was op matiging van de boete en compensatie wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De kantonrechter oordeelde dat het beroep evident kansloos was omdat de gronden voor matiging niet werden toegelicht en de bromfiets later verzekerd zou zijn, wat onvoldoende bijzondere omstandigheden oplevert. Het beroep werd gezien als te kwader trouw ingesteld om proceskostenvergoeding te verkrijgen, wat misbruik van recht inhoudt.
Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter stelde vast dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden, maar gaf hieraan geen verdere gevolgen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling omdat de officier van justitie geen kosten had gemaakt.