ECLI:NL:RBMNE:2025:6327

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/6202
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Midden-Nederland stelt beslistermijn en dwangsom vast wegens te late beslissing bezwaar WIA

Eiseres, Stichting Protestants Christelijk Onderwijs te Utrecht, diende op 24 maart 2025 een bezwaarschrift in tegen een besluit van 4 maart 2025 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (verweerder). Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, hetgeen onbetwist is. Na ontvangst van een ingebrekestelling op 9 oktober 2025 verstreken twee weken zonder beslissing.

De rechtbank oordeelt dat verweerder verplicht is alsnog binnen een redelijke termijn te beslissen. Gezien de achterstanden door een tekort aan verzekeringsartsen en de noodzaak van een arbeidsdeskundig onderzoek, stelt de rechtbank een termijn van vier maanden vast. Tevens wordt een dwangsom van maximaal €1.442,- vastgesteld voor de reeds verstreken 42 dagen.

Daarnaast wordt verweerder verplicht een dwangsom van €100,- per dag te betalen voor iedere dag dat de nieuwe beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000,-. Verweerder moet ook het griffierecht van €385,- en proceskosten van €453,50 aan eiseres vergoeden. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen vier maanden alsnog een besluit te nemen.

Uitkomst: Verweerder moet binnen vier maanden een besluit nemen en betaalt een dwangsom en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6202

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2025 in de zaak tussen

Stichting Protestants Christelijk Onderwijs te Utrecht, uit Utrecht, eiseres

(gemachtigde: C.J. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 24 maart 2025 tegen het besluit van 4 maart 2025.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar bezwaarschrift ingediend op 24 maart 2025.
Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 26 maart 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 3 november 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 9 oktober 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. In artikel 4:17 van Pro de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit
neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke
is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb).
5. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet formeel in een besluit vastgesteld.
De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke is.
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
6. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. Verweerder geeft in het verweerschrift aan dat na het medisch onderzoek nog een arbeidsdeskundig onderzoek dient plaats te vinden. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [2] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiseres.
9. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij
heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan
eiseres betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).