ECLI:NL:RBMNE:2025:6339

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
UTR_25_1122
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen brieven college wegens ontbreken besluit

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen twee brieven van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden, gedateerd 14 augustus 2020 en 27 februari 2024, waarin het college respectievelijk de beëindiging van een handhavingstraject en het niet voortzetten van een handhavingsprocedure mededeelde. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat deze brieven geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank oordeelt dat de brief van 14 augustus 2020 geen besluit is omdat het college in een eerdere brief van 22 mei 2020 slechts om aanvullende informatie vroeg en geen handhavingstraject was gestart. De brief van 14 augustus 2020 is een mededeling dat geen handhaving zal worden ingezet, zonder rechtsgevolg. Ook de brief van 27 februari 2024 is geen besluit omdat de voorafgaande brief van 14 februari 2024 een vooraankondiging van een last onder dwangsom betrof, die volgens vaste rechtspraak niet gericht is op rechtsgevolg, en er geen handhaving is gestart.

De rechtbank stelt verder vast dat de derde belanghebbende als belanghebbende in de procedure wordt aangemerkt vanwege de nauwe verwevenheid met een civielrechtelijke procedure over de constructieve veiligheid van de woning. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de brieven geen besluiten zijn en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1122

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , uit [plaats] , eisers

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden, het college
(gemachtigde: M. Braal).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende] B.V.uit [plaats] ( [derde belanghebbende] )
(gemachtigde: mr. L. Kruiswijk).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over de vraag of het college terecht de brieven van 14 augustus 2020 en 27 februari 2024 niet heeft aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in verband daarmee de bezwaren van eisers tegen die brieven niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Voorgeschiedenis en procesverloop
Brief van 14 augustus 2020
1.1.
Het college heeft op 17 december 2018 een omgevingsvergunning verleend aan eisers voor het bouwen van een woning met bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] (de woning). De bouw is op 11 maart 2020 afgerond waarna de woning is opgeleverd. Het college heeft op 23 april 2020 in de woning geconstateerd dat er sprake was van overtredingen van de bouwwetgeving en dat er niet volgens de omgevingsvergunning is gebouwd.
1.2.
Op 22 mei 2020 heeft het college [eiser sub 1] aangeschreven dat er niet conform de omgevingsvergunning is gebouwd. Hij dient met een onderzoeksrapport, voorzien van constructieve berekeningen en tekeningen, aan te tonen dat zijn woning constructief veilig wordt geacht. Op 30 juni 2020, 7 juli 2020 en 29 juli 2020 heeft de aannemer [derde belanghebbende] documenten en aanvullende berekeningen oplegging vloerligger naar het college gestuurd. [bedrijf 1] B.V, adviseur van het college, heeft hierop gereageerd met drie beoordelingsdocumenten van 3 juli 2020,
10 juli 2020 en 4 augustus 2020. In het beoordelingsdocument van 4 augustus 2020 zijn uiteindelijk alle voorgelegde punten akkoord bevonden, waarmee volgens het college de overtreding is beëindigd.
1.3.
In een brief van 7 augustus 2020 heeft het college [derde belanghebbende] verzocht om met onderbouwing van stukken de vraag te beantwoorden waarom er sparingen in de vloerliggers zijn aangebracht in afwijking van de bouwtekeningen en de berekeningen. De adviseur van het college meent dat hierdoor een gevaarlijke situatie is ontstaan waarbij de verdiepingsvloer kan gaan doorbuigen. Op 8 augustus 2020 heeft [derde belanghebbende] hierop gereageerd dat de constructieve veiligheid is gewaarborgd en vooraf is geverifieerd. Op 13 augustus 2020 heeft [derde belanghebbende] aanvullend aan het college bericht dat de staalleverancier [bedrijf 2] heeft bevestigd dat de balk zoals weergegeven in de bijgevoegde tekening is geleverd.
1.4.
In de brief van 14 augustus 2020 heeft het college aan [eiser sub 1] meegedeeld dat het college de handhaving zal beëindigen, omdat de overtreding is beëindigd.
Brief van 27 februari 2024
1.5.
Eisers hebben hun geschil met [derde belanghebbende] omtrent de veiligheid van hun woning in een civielrechtelijke procedure voorgelegd aan de Stichting Geschillencommissie voor Consumentenzaken.
1.6.
Op 14 februari 2024 [1] heeft het college een vooraankondiging van het nemen van een last onder dwangsom aan [eiser sub 1] gestuurd, omdat de woning mogelijk niet is gebouwd overeenkomstig het toen geldende Bouwbesluit dan wel het daarvoor in de plaats gekomen Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
1.7.
In de brief van 27 februari 2024 heeft het college aan [eiser sub 1] meegedeeld te hebben besloten de handhavingsprocedure vooralsnog niet voort te zetten. Het college heeft geen overtreding kunnen vaststellen.
1.8.
Op 7 juni 2024 heeft [eiser sub 1] in een brief aan het college geschreven dat hij niet uit is op een definitief handhavingsbesluit, maar een schriftelijke erkenning van het college wil ontvangen dat de constructie als geheel als onveilig moet worden gekwalificeerd en dat in de brief van 14 augustus 2020 ten onrechte is meegedeeld dat de woning zonder problemen in gebruik kon worden genomen.
1.9.
Op 3 september 2024 heeft het college hierop gereageerd dat de brief van
14 augustus 2020 ziet op een evaluatie van een eventueel voornemen tot handhaving op basis van op dat moment bekende feiten.
1.10.
Op 27 december 2024 hebben eisers bezwaar ingediend tegen de brieven van
14 augustus 2020 en 27 februari 2024.
1.11.
Op 23 januari 2025 heeft de commissie bezwaarschriften van het college geadviseerd om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de brieven van 14 augustus 2020 en 27 februari 2024 geen besluiten zijn waartegen bezwaar kan worden ingediend. Ten overvloede merkt de commissie op dat het bezwaar ruim buiten een eventuele bezwaartermijn zou vallen en dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
1.12.
In het besluit van 30 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie.
1.13.
Eisers hebben op 7 februari 2025 beroep ingesteld. Het college heeft op
28 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
1.14.
Op 10 april 2025 hebben eisers de rechtbank verzocht om toe te lichten waarom [derde belanghebbende] in deze beroepsprocedure als belanghebbende wordt aangemerkt. In een brief van 30 april 2025 heeft de rechtbank hierop gereageerd dat deze vraag op de zitting zal worden besproken.
1.15.
Op 2 mei 2025 heeft [derde belanghebbende] schriftelijk gereageerd op het beroepschrift en toegelicht waarom zij als belanghebbende moet worden aangemerkt in deze procedure.
1.16.
Op 22 mei 2025 hebben eisers schriftelijk gereageerd op de brief van [derde belanghebbende] van 2 mei 2025. Eisers hebben nooit verzocht om handhaving tegen hen zelf. Hun belang is niet het afdwingen van sancties maar het verkrijgen van hulp bij en erkenning van de feitelijke situatie. Verder willen eisers erkenning voor de fouten die zijn gemaakt tijdens de handhavingsprocedure in 2020. De handhaving is beëindigd terwijl er geen herstelwerkzaamheden zijn verricht.
1.17.
Op 14 september 2025 hebben eisers een aanvullende schriftelijke reactie met bijlagen ingebracht. Eisers vragen de rechtbank om te oordelen dat de brieven van
14 augustus 2020 en 27 februari 2024 besluiten zijn en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar te vernietigen. Volgens eisers is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Eisers vragen de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en vast te stellen dat de besluiten van 14 augustus 2020 en 27 februari 2024 onjuist zijn.
1.18.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2025. Eisers zijn in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is verschenen bij haar directeur [A] , bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

Belanghebbendheid van [derde belanghebbende]
2. Eisers voeren aan dat [derde belanghebbende] in deze beroepsprocedure niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat zij geen rechtstreeks maar een afgeleid belang heeft. Het gaat in deze procedure om de vraag of het college handhavend had moeten optreden jegens eisers, niet jegens [derde belanghebbende] .
3. De rechtbank merkt [derde belanghebbende] wel aan als belanghebbende en overweegt daartoe als volgt. Eisers willen met hun bezwaar bereiken dat het college een oordeel geeft over de constructieve (on)veiligheid van de woning. Eisers hebben kenbaar gemaakt dat zij [derde belanghebbende] bij een eventueel handhavingstraject aansprakelijk zullen stellen voor mankementen in de uitvoering van de werkzaamheden en dat zij ook een schadevergoeding van [derde belanghebbende] zullen vorderen. De consequenties van deze beroepsprocedure en de vraag of de woning constructief veilig is, spelen een belangrijke rol in de civielrechtelijke procedure bij de Geschillencommissie tussen eisers en [derde belanghebbende] . Deze nauwe verwevenheid tussen de civielrechtelijke procedure en de beroepsprocedure maakt dat het belang van [derde belanghebbende] moet worden aangemerkt als rechtstreeks belang. Haar belang is dusdanig sterk dat dit een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming in deze beroepsprocedure rechtvaardigt. De beroepsgrond slaagt niet.
Omvang van het geschil
4. In deze zaak ligt de vraag voor of het college terecht het bezwaar van eisers tegen de brieven van 14 augustus 2020 en 27 februari 2024 niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de brieven geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zijn.
Besluit
5. In de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. [2] Een publiekrechtelijke rechtshandeling is een handeling van een bestuursorgaan, gericht op een rechtsgevolg. Een beslissing heeft rechtsgevolg indien zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.
Brief van 14 augustus 2020
6. Eisers voeren aan dat de brief van 14 augustus 2020 als besluit moet worden aangemerkt. In de brief van 22 mei 2020 van het college staat dat er sprake is van overtredingen van wet- en regelgeving, dat er een verbod is op het in gebruik nemen van de woning en dat er aan eisers verplichtingen zijn opgelegd (juridische acties). Vervolgens wordt in de brief van 14 augustus 2020 de handhaving beëindigd waardoor de overtredingen, het verbod en de verplichtingen worden beëindigd. De gemeente spreekt ook zelf van een besluit. De brief is een besluit met duidelijke rechtsgevolgen. Volgens eisers wijzigt het besluit de juridische situatie van eisers.
7. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 14 augustus 2020 geen besluit in de zin van de Awb is en legt dit hierna uit.
8. In de brief van 22 mei 2020 wordt vermeld dat toezichthouders op 23 april 2020 hebben geconstateerd dat de woning niet is gebouwd conform de gestelde regels uit het Bouwbesluit 2012 en de omgevingsvergunning wat betreft hoofddraagconstructie. Het college vraagt eisers in deze brief om binnen zes weken een volledig constructierapport aan te leveren waaruit blijkt dat de constructieve veiligheid van het pand gewaarborgd blijft. Eisers kunnen het plan ook alsnog conform de vergunning uitvoeren. Na afloop van de gestelde termijn zal het college hierop controleren.
9. De rechtbank stelt vast dat de brief van 22 mei 2020 een mededeling inhoudt dat het college niet kan beoordelen of de woning constructief veilig is en daarom aanvullende informatie nodig heeft. Dit betreft dus geen besluit tot handhaving.
10. Het college heeft weliswaar in de brief van 14 augustus 2020 meegedeeld dat de handhaving zal worden beëindigd, maar zoals onder 9. is vastgesteld is het college in een eerder stadium niet met handhaving gestart. De rechtbank begrijpt de brief van 14 augustus 2020 dan ook zo, dat daarmee is bedoeld dat geen handhavingstraject zal worden gestart. Gelet hierop is de brief van 14 augustus 2020 niet gericht op een rechtsgevolg. De rechtspositie van eisers blijft ongewijzigd. Er was en blijft geen sprake van handhaving. De correspondentie tussen het college en [derde belanghebbende] vanaf 7 augustus 2020 maakt dat niet anders. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat eisers het college niet hebben verzocht om handhavend op te treden, zodat het college ook niet verplicht was om een handhavingsbesluit te nemen.

Brief van 27 februari 2024

11. Eisers vinden dat de brief van 27 februari 2024 een besluit is, omdat het college hierin expliciet heeft besloten om niet handhavend op te treden. Dit terwijl uit de brief van
14 februari 2024 blijkt dat het college meende dat er sprake was van een overtreding, al een last onder dwangsom had voorbereid en aan eisers juridische acties/verplichtingen had opgelegd.
12. De rechtbank is van oordeel dat ook de brief van 27 februari 2024 geen besluit is in de zin van de Awb. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
13. De brief van 14 februari 2024 hield een vooraankondiging van het nemen van een last onder dwangsom in. Volgens vaste rechtspraak zijn dergelijke vooraankondigingen niet gericht op rechtsgevolg [3] . Met deze brief is dus geen handhaving gestart. De brief van 27 februari 2024, waarin het college meedeelt de handhaving niet voort te zetten, kan daarom niet zijn gericht op het tenietdoen van een rechtsgevolg dat volgt uit de brief van 14 februari 2024. Verder is ook niet gebleken van aanvang van een handhavingstraject op een ander moment. De rechtbank neemt ook hierbij in aanmerking dat eisers het college niet hebben verzocht om handhavend op te treden.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Het college heeft het bezwaar van eisers tegen de brieven van 14 augustus 2020 en 27 februari 2024 terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze brieven geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het college schrijft in het verweerschrift dat deze brief per abuis 14 oktober 2023 is gedateerd. Dit moet 14 februari 2024 zijn.
2.Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3536