ECLI:NL:RBMNE:2025:6399

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/5901
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid voorzieningenrechter bij intrekking briefadres en gevolgen voor bijstandsuitkering

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 13 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, die staat ingeschreven op een briefadres, heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van dit briefadres door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. De intrekking volgde op de beëindiging van zijn bijstandsuitkering op 16 september 2025. Verzoeker stelt dat de intrekking van zijn briefadres ernstige gevolgen heeft voor zijn toegang tot noodzakelijke medicatie en zijn stemrecht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot vrijstelling van griffierecht toegewezen, maar oordeelt dat zij niet bevoegd is om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Dit is gebaseerd op de overweging dat de intrekking van het briefadres geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het college geen zelfstandig rechtsgevolg aan de intrekking heeft verbonden. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de intrekking, waardoor zij zich onbevoegd verklaart. Ter voorlichting aan verzoeker wordt opgemerkt dat hij mogelijk in aanmerking kan komen voor een ander briefadres voor dak- en thuislozen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5901

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. E. Chahid en E. Kuipers).

Procesverloop

1. Verzoeker staat ingeschreven op het briefadres [adres 1] in [plaats] (hierna: het briefadres). Op 16 september 2025 is de bijstandsuitkering van verzoeker beëindigd. Op 1 oktober 2015 heeft de afdeling Burgerzaken van de gemeente aan verzoeker bericht dat zij van de afdeling Werk en Inkomen een melding hebben ontvangen dat hij niet langer kan maken van zijn briefadres. Aan verzoeker is daarom gevraagd om een adreswijziging door te geven.
1.1.
Verzoeker is het er niet mee eens dat hij niet langer gebruik kan maken van zijn briefadres. Hij heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot vrijstelling van de betaling van het griffierecht toe. Uit het dossier blijkt dat de bijstandsuitkering van verzoeker is beëindigd en dat hij geen vaste woon- of verblijfsadres heeft. Daarmee is voldoende aannemelijk dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling.
2.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat zij niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat vinden partijen?
3. Verzoeker voert aan dat het besluit om zijn briefadres in te trekken voor hem directe en ernstige gevolgen heeft. Verzoeker stelt dat hij een acuut gezondheidsrisico loopt, omdat hij zonder zijn briefadres geen toegang meer heeft tot zijn dagelijks noodzakelijke medicatie. Ook kan verzoeker zijn stemrecht niet uitoefenen bij verkiezingen, omdat hij zonder briefadres niet langer staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp). Verzoeker raakt onbereikbaar voor instanties en verliest feitelijk zijn rechtspositie. Verzoeker verzoekt daarom om schorsing van het besluit van het college om zijn briefadres in te trekken.
3.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het briefadres [adres 1] is gekoppeld aan de bijstandsuitkering van eiser. Die uitkering is inmiddels beëindigd. Daarom heeft de afdeling Werk en Inkomen vervolgens de toestemming voor het briefadres ingetrokken. Uit navraag bij de afdeling Werk en Inkomen is gebleken dat verzoeker nog tot 3 maanden na intrekking van de uitkering gebruik kan blijven maken van zijn briefadres. Daarna wordt het postvak opgeheven. De afdeling Burgerzaken heeft naar aanleiding hiervan een adresonderzoek gestart. Dit onderzoek loopt momenteel nog en er is nog geen besluit genomen over de inschrijving van verzoeker in de Brp. Daarin staat hij nog steeds ingeschreven met zijn oude briefadres, en voorlopig kan hij dus ook nog gebruik maken van zijn postvak bij de afdeling Werk en Inkomen.
Is de voorzieningenrechter bevoegd?
4. Volgens artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – voor zover hier van belang – kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.1.
De voorzieningenrechter moet eerst ambtshalve, dus uit zichzelf, beoordelen of het verzoek om een voorlopige voorziening en het onderliggende bezwaarschrift zijn gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.2.
Uit artikel 8:1 gelezen in verbinding met artikel 7:1 van de Awb volgt dat alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van die wet. Volgens dat laatste artikel wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die is gericht op rechtsgevolg. Dat betekent dat er een verandering optreedt in iemands bestaande rechten, verplichting of bevoegdheden of dat het bestaan van rechten, verplichtingen of bevoegdheden bindend wordt vastgesteld om de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen. [1]
4.3.
Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechters [2] volgt dat de toestemming van het college voor het gebruik van een briefadres, als zodanig niet op zelfstandig rechtsgevolg is gericht en daarom niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat is anders wanneer het college aan het al dan niet beschikken over een briefadres gevolgen voor de verlening van bijstand zou verbinden. De daartoe strekkende beslissing zou wel gericht kunnen zijn op rechtsgevolg.
4.4.
Gelet op deze rechtspraak kan het bericht van 1 oktober 2025, waarbij de toestemming voor het gebruik van zijn briefadres is ingetrokken, niet als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt. Verzoekers bijstandsuitkering is op 16 september 2025 beëindigd en als gevolg daarvan mag hij geen gebruik maken van zijn briefadres. De beslissing over het briefadres heeft dus geen gevolgen voor de bijstandsuitkering van verzoeker. Van andere rechtsgevolgen die voortkomen uit de beslissing over het briefadres is de voorzieningenrechter niet gebleken. Dat het gaat om een feitelijke handeling leidt niet tot een andere uitkomst, omdat daartegen op grond van de Awb geen bezwaar mogelijk is.
4.5.
Omdat er geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb, waartegen verzoeker bezwaar kan maken, is de voorzieningenrechter niet bevoegd om het verzoek inhoudelijk te beoordelen.
Hoe kan eiser aan een briefadres komen?
5. Ter voorlichting aan verzoeker merkt de voorzieningenrechter op dat verzoeker in aanmerking kan komen voor het briefadres [adres 2] als hij geen vaste verblijfsplaats heeft in [plaats] . Dit briefadres is bedoeld voor dak- en thuislozen die geen uitkering ontvangen. Verzoeker kan de gemeente vragen om hem op dat adres in te schrijven in de Brp zodat hij zijn post kan ontvangen, die noodzakelijk is om al zijn rechten als burger te blijven uitoefenen. Het college heeft dat op zitting bevestigd.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Voor een vergoeding van proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
De voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:754.
2.zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2613 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4550.