ECLI:NL:RBMNE:2025:6472

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
C/16/594876
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuizing en hoofdverblijfplaats van minderjarige in het kader van familierechtelijke geschillen

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen de ouders van een minderjarige over de hoofdverblijfplaats en de toestemming voor verhuizing naar België. De vader verzocht om vervangende toestemming om met de minderjarige naar België te verhuizen en haar in te schrijven op een middelbare school aldaar. De moeder verzet zich tegen deze verzoeken en vraagt om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar vast te stellen, mocht de vader niet terugverhuizen naar Nederland. De rechtbank heeft eerder op 17 oktober 2025 een tussenbeschikking gewezen en heeft de zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige besproken. De rechtbank concludeert dat de verhuizing naar België niet in het belang van de minderjarige is, gezien de zorgen over haar ontwikkeling en de impact op het contact met de moeder. De rechtbank wijst het verzoek van de vader af en houdt de beslissing over de hoofdverblijfplaats aan tot 15 december 2025, waarbij de vader moet bewijzen dat hij met de minderjarige terugverhuist naar Nederland. De rechtbank benadrukt het belang van de betrokkenheid van de GI en de noodzaak om de situatie van de minderjarige goed te monitoren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/594876 / FO RK 25-725
Verhuizing en hoofdverblijfplaats
Beschikking van 21 november 2025
in de zaak van:
[de vader],
volgens de Basisregistratie Personen geregistreerd in [plaats 1] ,
feitelijk verblijvende in [verblijfplaats] , België,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. I.M.G. Maste,
tegen
[de moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. D.G. Nagel,
met als belanghebbende
De Jeugd- en Gezinsbeschermers
gevestigd in Amsterdam,
gecertificeerde instelling, hierna: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft eerder in deze zaak een tussenbeschikking gewezen op 17 oktober 2025. Voor het verloop van de procedure tot aan die datum verwijst de rechtbank naar de vorige beschikking.
1.2.
Daarna heeft de rechtbank nog de volgende stukken ontvangen:
  • de brief van de moeder van 17 oktober 2025 met daarbij een aanvullend verzoek en een bijlage;
  • het bericht van de vader van 17 oktober 2025;
  • de brief van de GI van 22 oktober 2025 met bijlagen;
  • de brief van de vader van 23 oktober 2025 met bijlagen;
  • de mail van de GI van 27 oktober 2025, met bijlagen.
1.3.
De verzoeken zijn verder besproken door de meervoudige kamer van deze rechtbank tijdens de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de ouders met hun advocaten;
  • mevrouw [persoon1] en mevrouw [persoon2] namens de GI;
  • de heer [persoon3] en mevrouw [persoon4] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

2.De belangrijke feiten

2.1.
De ouders hebben met elkaar een relatie gehad.
2.2.
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] .
2.3.
De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
[minderjarige] verblijft bij de vader. De vader en [minderjarige] verblijven sinds de zomervakantie in België. [minderjarige] verblijft één weekend in de twee weken bij de moeder.
2.5.
[minderjarige] staat sinds 20 juni 2024 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt nu tot 20 december 2025.

3.De verzoeken

3.1.
De vader verzoekt:
I.
primairde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader in [verblijfplaats] (België) vast te stellen en
subsidiairom hem vervangende toestemming te verlenen om in de zomervakantie en uiterlijk 4 augustus 2025, althans een in goede justitie te bepalen datum, met [minderjarige] naar [verblijfplaats] (België) te verhuizen;
II. om hem vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] op de middelbare school [onderwijsinstelling] in [plaats 2] (België).
3.2.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Zij verzoekt:
I.
voor het geval het verzoek van de vader onder I. wordt afgewezen en de vader niet zal terug verhuizen naar [plaats 1] :de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder vast te stellen;
II. te bepalen dat de vader is gehouden om [minderjarige] terug te brengen bij de moeder binnen drie dagen na betekening van de te wijzen beschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de vader in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 15.000,-;
III. te bepalen dat het de vader verboden is om [minderjarige] bij hem te laten overnachten zonder toestemming van de moeder en buiten de afgesproken zorgregeling, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de vader dit verbod overtreedt, met een maximum van € 15.000,-.
3.3.
De advocaat van de vader heeft bezwaar gemaakt tegen het aanvullende (voorwaardelijke) verzoek (onder I.) van de moeder. De advocaat vindt dat dit verzoek in strijd is met de goede procesorde omdat zij zich niet goed op dit verzoek heeft kunnen voorbereiden. De rechtbank heeft dit bezwaar verworpen. Met de advocaat van de moeder is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek naar haar aard samenhangt met de eerder door de moeder gedane verzoeken. Bovendien is het verzoek op 17 oktober 2025 ingediend, wat maakt dat de advocaat van de vader zich hierop voldoende heeft kunnen voorbereiden.

4.De verdere beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Voordat de rechtbank de verzoeken kan beoordelen, moet zij eerst beslissen of zij bevoegd is om de verzoeken te behandelen. De rechtbank vindt dat zij bevoegd is om de verzoeken van de ouders te behandelen, met uitzondering van het verzoek van de moeder over de terugkeer van [minderjarige] naar Nederland. De rechtbank licht dit hierna toe.
4.2.
Dat de rechtbank bevoegd is om de verzoeken over de de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de school te beoordelen, leidt zij af uit artikel 7 lid 1 Brussel II-ter [1] . In dit artikel staat dat de gerechten van de EU-lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op de datum waarop een procedure over de ouderlijke verantwoordelijkheid (in dit geval de vraag waar [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft en naar welke school zij gaat) start, bevoegd is om die procedure te behandelen. De rechtbank vindt dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op 11 juni 2025, toen de vader het verzoekschrift indiende, in Nederland was. [minderjarige] was toen immers nog in Nederland en heeft ook haar hele leven in Nederland gewoond. Dit maakt de Nederlandse rechtbank bevoegd.
4.3.
De rechtbank vindt verder dat zij niet bevoegd is om een beslissing te nemen op het verzoek van de moeder onder II. De moeder verzoekt te bepalen dat de vader is gehouden om [minderjarige] terug te brengen bij de moeder in Nederland, op straffe van een dwangsom. Dit komt in feite neer op een verzoek om teruggeleiding van [minderjarige] vanuit België naar Nederland. Volgens de systematiek van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) [2] moet de moeder een dergelijk verzoek indienen bij de rechter in België. De rechtbank baseert zich hierbij op de uitspraak van de Hoge Raad dat een op het HKOV gebaseerd verzoek tot teruggeleiding van een kind dat beweerdelijk ongeoorloofd wordt vastgehouden in een andere verdragsluitende staat dan waar het zijn gewone verblijfplaats heeft, slechts kan worden ingediend bij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt. [3] Dat betekent dat een verzoek om [minderjarige] naar Nederland terug te brengen alleen kan worden behandeld door een Belgische rechter. De rechtbank verklaart de moeder dan ook niet-ontvankelijk in haar verzoek om [minderjarige] terug te brengen naar Nederland. Dit betekent dat dit verzoek niet inhoudelijk kan worden behandeld. De overige verzoeken worden hierna wel inhoudelijk besproken.
4.4.
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op de verzoeken. [4]
Vervangende toestemming verhuizing en hoofdverblijfplaats
Conclusie
4.5.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te mogen verhuizen naar [verblijfplaats] (België) af. Dit betekent dat de vader met [minderjarige] moet terugverhuizen naar [plaats 1] in Nederland. De vader krijgt voor de terugverhuizing naar Nederland de tijd tot 1 januari 2026. Het verzoek over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] houdt de rechtbank aan tot 15 december 2025. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Samenloop familierecht en jeugdrecht
4.6.
Het verzoek van de vader over de verhuizing naar België (en het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] ) betreft een familierechtelijke procedure, het gaat namelijk om een geschil tussen de ouders. [minderjarige] staat zoals gezegd ook onder toezicht, een maatregel op grond van het jeugdrecht, omdat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het belang van [minderjarige] , dat leidend is bij de beslissing over de vervangende toestemming voor de verhuizing, wordt hier dus ook ingekleurd door de vraag welke beslissing bijdraagt aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging.
Het wettelijk kader
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat de gezamenlijke uitoefening van het gezag over [minderjarige] met zich brengt dat de vader voor het wijzigen van de woonplaats en school van [minderjarige] toestemming van de moeder nodig heeft. Als de moeder die toestemming niet verleent, kan de rechtbank op verzoek van de vader hiervoor vervangende toestemming verlenen. [5]
4.8.
Het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met [minderjarige] naar België hangt samen met de vraag waar [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal krijgen. Hoewel de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] nooit tussen de ouders is afgesproken, staat zij feitelijk ingeschreven op het adres van de vader in [plaats 1] . Door en namens de moeder is op de zitting uitgelegd dat de moeder wil dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder krijgt indien de vader van de rechtbank geen toestemming krijgt om zich definitief met [minderjarige] te vestigen in België en de vader vervolgens niet met [minderjarige] zal terugverhuizen naar [plaats 1] . De rechtbank vat dit verzoek van de moeder op als een voorwaardelijk verzoek. De rechtbank zal eerst het verzoek over de vervangende toestemming voor de verhuizing van de vader beoordelen en daarna het voorwaardelijke verzoek van de moeder over de hoofdverblijfplaats.
Vervangende toestemming verhuizing
4.9.
Bij haar beslissing neemt de rechtbank als uitgangspunt dat iedere ouder in beginsel het recht heeft om zijn of haar leven met een kind in te richten op een manier die hem of haar goed lijkt. Daaronder valt in beginsel ook de vrijheid om op een andere plek met een kind te gaan wonen. Als de ene ouder het niet eens is met de verhuisplannen van de andere ouder, dan moet de rechtbank alle omstandigheden in kaart brengen en een belangenafweging maken. Het belang van het kind staat hierbij voorop, maar afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere belangen zwaarder wegen. Omstandigheden die volgens de rechtspraak van de Hoge Raad een rol kunnen spelen, zijn onder andere:
  • de noodzaak om te verhuizen;
  • hoe goed de verhuizing is voorbereid en doordacht;
  • de voorstellen die zijn gedaan om de gevolgen van de verhuizing te verzachten;
  • hoe goed de ouders met elkaar kunnen overleggen;
  • hoe vaak er contact plaatsvindt tussen het kind en de niet verhuizende ouder voor en na de verhuizing;
  • de leeftijd van het kind, zijn of haar mening en in hoeverre het kind gewend is aan zijn of haar omgeving of juist aan verhuizingen;
  • de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Zorgen over [minderjarige]
4.10.
De rechtbank zal eerst de zorgen over [minderjarige] bespreken. Sinds juni 2024 staat [minderjarige] onder toezicht van de GI omdat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en het de ouders niet lukt om de hulp die nodig is om deze bedreiging weg te nemen, te organiseren. Bij aanvang van de ondertoezichtstelling werd door de Raad benoemd dat [minderjarige] opgroeit in een onveilige opvoedsituatie. Gezien werd dat de ouders niet in staat zijn om met elkaar te communiceren over [minderjarige] , dat zij veel meningsverschillen hebben en negatief spreken over elkaar. Dit heeft een grote invloed op [minderjarige] . Zij zit klem tussen de ouders en ervaart hierdoor veel stress en spanning. Daarnaast heeft [minderjarige] al lange tijd forse lichamelijke klachten, zoals een laag gewicht, een verstoorde grove motoriek en heeft zij moeite met eten en het niet kunnen ophouden van ontlasting en urine. De huisarts relateerde die klachten eerder aan de stress die [minderjarige] had door de moeilijke verstandhouding tussen haar ouders. Doordat er in het begin van de ondertoezichtstelling geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar was, is er onvoldoende hulp van de grond gekomen en is er (te lang) geen zicht geweest op hoe het met [minderjarige] ging. Vanaf begin 2025 is de vaste jeugdbeschermer betrokken geraakt. Uit het verzoek verlenging ondertoezichtstelling van de GI van 28 april 2025 blijkt dat de GI nog steeds zorgen heeft over [minderjarige] . De GI constateert dat de gezondheid van [minderjarige] niet is verbeterd en dat de noodzakelijke hulpverlening vanuit Occura niet kon worden gestart omdat de vader daar geen toestemming voor gaf. De GI had daarnaast grote zorgen over het voornemen van de vader om te verhuizen naar België omdat zij daardoor het zicht op [minderjarige] zou verliezen.
4.11.
Inmiddels wonen de vader en [minderjarige] in België, waar [minderjarige] ook naar school gaat. Hoewel het precieze verloop van de verhuizing naar België voor de rechtbank niet duidelijk is geworden, staat wel vast dat de moeder de vader aanvankelijk toestemming heeft gegeven om met [minderjarige] naar België te verhuizen, maar heel kort daarop haar toestemming heeft ingetrokken. De vader is desondanks met [minderjarige] naar België verhuisd. Ook is gebleken dat de vader [minderjarige] heeft ingeschreven op een middelbare school, terwijl de moeder daar niet achterstond. De GI heeft voorts van de vader geen toestemming gekregen om op huisbezoek te komen in België. De situatie van [minderjarige] lijkt, in tegenstelling tot wat de vader heeft aangevoerd, niet verbeterd. Sterker nog, uit de door de GI overgelegde informatie blijkt dat (sinds de korte tijd dat [minderjarige] in België verblijft) zowel de nieuwe school van [minderjarige] als de nieuwe huisarts in België zich zorgen maken over [minderjarige] . De school heeft gemeld dat [minderjarige] veelvuldig afwezig is geweest en ongezond eten mee heeft. [minderjarige] klaagt op school over buikpijn en heeft meerdere incontinentie-ongelukjes gehad. Ook maakt de school zich zorgen over het vreemde gedrag van de vader (waarbij hij snel wisselt tussen boos en sociaal wenselijk gedrag) en de interactie tussen de vader en [minderjarige] . De huisarts heeft verklaard dat [minderjarige] blijvende urineklachten heeft en dat zij hiervoor is doorverwezen naar de uroloog. Ook heeft de huisarts zorgen over het gedrag van [minderjarige] tijdens het door de huisarts uitgevoerde lichamelijke onderzoek en heeft de huisarts, volgens de GI, ook aangegeven dat zij vermoedens heeft van seksueel misbruik van [minderjarige] .
4.12.
De vader betwist met klem dat er sprake is van misbruik dan wel enige vorm van seksueel grensoverschrijdend gedrag van hem richting [minderjarige] . Ook de uroloog heeft geen signalen van seksueel misbruik geconstateerd en uit het gesprek dat [minderjarige] met een medewerker van Veilig Thuis heeft gehad (conform het NICHD-protocol dat gericht is op feiten onderzoek naar alle vormen van kindermishandeling) zijn evenmin signalen van misbruik naar voren gekomen. Ook betwist de vader dat hij [minderjarige] geen gezond eten meegeeft en dat zij ongeoorloofd verzuimt van school. Hij heeft uitgelegd dat de kinderen op school eens per week iets ongezonds mee mogen nemen naar school en dat [minderjarige] veel afwezig is vanwege medische onderzoeken.
4.13.
De rechtbank constateert dat er, los van de vermoedens van de huisarts over mogelijk seksueel misbruik van [minderjarige] , nog steeds ernstige zorgen over [minderjarige] bestaan. Deze zorgen waren al aanwezig voordat [minderjarige] in België is gaan wonen en zijn sindsdien fors toegenomen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij die zorgen heeft, ongeacht de oorzaak van de medische klachten van [minderjarige] . Ook als die voortkomen uit stress bij [minderjarige] over de slechte verstandhouding tussen haar ouders is immers relevant en zorgelijk dat de klachten nu zo heftig zijn. Eén van de doelen van de ondertoezichtstelling is namelijk dat [minderjarige] opgroeit in een veilige opvoedomgeving, waarin wordt voldaan aan de behoefte van het kind en zij niet dermate veel stress ervaart, waardoor zij geen verdere fysieke problemen ontwikkelt.
4.14.
De zorgen die de rechtbank heeft over de situatie van [minderjarige] staan in schril contract met hetgeen [minderjarige] en de vader vertellen over haar leven in België. Zij hebben (kort samengevat) allebei verklaard dat het heel goed gaat in België. De vader stelt daarnaast dat het leven van [minderjarige] en hem door de GI en de moeder onmogelijk wordt gemaakt. Hij vindt het onbegrijpelijk dat de moeder niet instemt met de verhuizing naar België en begrijpt evenmin waarom de GI zorgen heeft over de situatie van [minderjarige] . De rechtbank vindt het zorgwekkend dat de vader alleen maar positief is over de verhuizing naar België en het leven aldaar, verder geen zorgen ziet, geen openheid van zaken geeft en bij kritische vragen over de situatie van [minderjarige] alleen naar anderen wijst. Hij lijkt daarbij niet in staat te zijn om te reflecteren op zijn gedrag en de gevolgen daarvan voor [minderjarige] , zoals het doorzetten van de verhuizing naar België ondanks alle zorgen over [minderjarige] .
4.15.
Gelet op al deze zorgen, acht de rechtbank het van groot belang dat er zicht op [minderjarige] komt en blijft. Indien [minderjarige] in België blijft wonen, zal de huidige GI niet langer betrokken kunnen blijven. Ook kan de hulpverlening vanuit Occura, waar [minderjarige] op een neutrale plek haar verhaal kan doen, niet worden voortgezet, terwijl dit juist één van de doelen van de ondertoezichtstelling betreft. Concluderend vindt de rechtbank dat de verhuizing niet bijdraagt aan de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen.
Onvoldoende noodzaak om te verhuizen
4.16.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de vader de noodzaak om te verhuizen onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft gesteld dat de woning in [plaats 1] te klein is om samen met [minderjarige] en zijn nieuwe partner te wonen, maar dit wordt door de moeder gemotiveerd betwist. De enkele stelling dat een appartement van (ongeveer) 60 vierkante meter met twee slaapkamers te klein is om te wonen, is ook onvoldoende. De rechtbank betrekt hierbij dat de vertegenwoordiger van de Raad op de zitting heeft aangegeven dat hij ten tijde van het Raadsonderzoek de vader heeft bezocht in het appartement in [plaats 1] en dat volgens de raadsvertegenwoordiger het feit dat het appartement niet groot is, niet betekent dat [minderjarige] daar niet zou kunnen wonen met de vader. Dat [minderjarige] een tuin nodig zou hebben is ook niet gebleken. De vader heeft verklaard dat hij momenteel nog werkt voor een opdrachtgever in Nederland. Voor zijn werk is het daarom ook niet nodig dat hij verhuist naar België. De stelling van de vader dat er een noodzaak zou zijn voor de verhuizing is in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank begrijpt dan ook niet dat de vader in deze al ingewikkelde situatie voor [minderjarige] , ervoor heeft gekozen om haar uit de vertrouwde omgeving te halen en zonder toestemming van de moeder mee te nemen naar België. Hij heeft daarbij het belang van [minderjarige] onvoldoende voor ogen gehad.
De impact op het contact tussen de moeder en [minderjarige]
4.17.
De rechtbank is verder van oordeel dat de verhuizing grote impact zal hebben op het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Met de moeder maakt de rechtbank zich zorgen over de voortzetting van de huidige zorgregeling. Door de verhuizing naar België wordt de afstand tussen de moeder en [minderjarige] in letterlijke, maar ook figuurlijke zin enorm vergroot. Dit brengt met zich mee dat [minderjarige] lang en veel in de auto moet zitten. Dit is voor haar erg onrustig. [minderjarige] heeft ook verklaard dat zij dit belastend vindt en dat zij graag zelf wil bepalen wanneer zij haar moeder ziet. Hoewel de vader stelt dat hij alles doet voor [minderjarige] en dat hij het contact met de moeder belangrijk vindt, heeft hij ook verklaard dat hij het liefste wil dat de zorgregeling wordt gewijzigd naar één weekend per maand. De rechtbank vreest dan ook dat de grote afstand tussen [minderjarige] en haar moeder er in de toekomst voor zal zorgen dat het contact nog meer verminderd of mogelijk zelfs wordt stopgezet. Dit vindt de rechtbank net als de Raad niet in haar belang. Bovendien zijn de ouders niet in staat om met elkaar te communiceren, wat het nog moeilijker maakt om het contact tussen [minderjarige] en de moeder in stand te houden. De stelling van de vader dat de moeder vaak met [minderjarige] in Limburg verblijft en dat de afstand hierdoor niet groot is, wordt door de moeder gemotiveerd betwist. De rechtbank vindt dan ook dat de verhuizing een te grote impact heeft op het contact tussen de moeder en [minderjarige] .
4.18.
Gelet op het voorgaande verleent de rechtbank geen vervangende toestemming aan de vader om met haar naar België te verhuizen. Ook het bijbehorende verzoek strekkende tot vervangende toestemming voor het inschrijven van [minderjarige] op een school in België wijst de rechtbank bij gebrek aan belang af, omdat ook het verzoek om te mogen verhuizen naar België wordt afgewezen. Dat betekent dat de vader met [minderjarige] terug zal moeten verhuizen naar [plaats 1] . Deze (terug)verhuizing is feitelijk ook mogelijk nu de vader heeft verklaard dat het appartement in [plaats 1] nog tot zijn beschikking staat.
Hoofdverblijfplaats
4.19.
Op grond van de wet kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. [7] Daaronder valt ook het geschil over de vraag bij welke ouder het kind zijn of haar hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank neemt daarover een beslissing die zij het meest in het belang van het kind vindt. De vraag is nu bij wie [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats moet hebben: bij de vader in [plaats 1] , of bij de moeder in [woonplaats] .
4.20.
Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft de rechtbank grote zorgen over de situatie van [minderjarige] bij de vader in België. De moeder heeft zoals gezegd verklaard dat een hoofdverblijfplaats bij de vader in [plaats 1] het meest in het belang van [minderjarige] is. De GI en de Raad hebben zich niet duidelijk uitgelaten over de vraag waar [minderjarige] , bij een terugverhuizing naar Nederland, haar hoofdverblijf moet krijgen. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij de zorgen niet zodanig vinden dat [minderjarige] niet langer bij de vader kan verblijven.
4.21.
De vader heeft tijdens de zitting meerdere keren verklaard dat terugverhuizen voor hem geen optie is en dat hij niet heeft nagedacht over wat hij zal doen als de rechtbank hem geen vervangende toestemming voor de verhuizing zal verlenen. Hoewel de rechtbank er weliswaar vanuit gaat dat de vader de beslissing van de rechtbank naleeft, heeft de rechtbank hier desondanks zorgen over gelet op de hiervoor genoemde verklaring van de vader tijdens de zitting. De rechtbank vindt het van belang dat de vader vaart zet achter de terugverhuizing, mede gelet op de (nieuwe) start van [minderjarige] op een middelbare school in de omgeving van [plaats 1] en op de continuïteit van de hulpverlening. Juist omdat niet duidelijk is geworden of de vader met [minderjarige] zal terugverhuizen, houdt de rechtbank het verzoek over de hoofdverblijfplaats aan tot
15 december 2025. Als de vader namelijk niet voor 1 januari 2026 met [minderjarige] is terugverhuisd naar [plaats 1] , dan is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder moet hebben, conform het voorwaardelijke verzoek dat de moeder heeft ingediend. Als de vader wél voor 1 januari 2026 met [minderjarige] terugverhuist naar [plaats 1] dan zal de rechtbank haar hoofdverblijfplaats bij de vader bepalen. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat een vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij de moeder de vader niet belet om zelf, zonder [minderjarige] , in België te blijven wonen.
4.22.
Op de zitting is door de GI verklaard dat zij kan helpen bij praktische zaken, zoals het regelen van een inschrijving van [minderjarige] op een school in [plaats 1] of [woonplaats] . De rechtbank verwacht van de GI dat zij hierin een actieve rol op zich neemt om [minderjarige] zo goed mogelijk te begeleiden bij een verhuizing terug naar [plaats 1] of naar de moeder. De verhuizing, een tweede verandering van woonplek voor [minderjarige] in korte tijd, zal immers hoe dan ook grote impact op [minderjarige] hebben.
4.23.
De rechtbank zal zonder nadere zitting de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vaststellen, nu de hoofdverblijfplaats tijdens de zitting(en) al afdoende is besproken en vaststelling alleen afhangt van de vraag of de vader daadwerkelijk met [minderjarige] naar [plaats 1] zal terugverhuizen. De rechtbank wil daarom
uiterlijk op 15 december 2025beschikken over stukken van de vader waaruit blijkt dat hij [minderjarige] per 1 januari 2026 heeft uitgeschreven op haar huidige school in België, dat hij [minderjarige] en zichzelf heeft ingeschreven in de gemeente [plaats 1] en dat hij [minderjarige] heeft ingeschreven bij een middelbare school in (de omgeving van) [plaats 1] waar zij in januari 2026 (na de kerstvakantie) kan beginnen. Indien de vader voornoemde stukken niet overlegt, gaat de rechtbank er vanuit dat de vader in België blijft wonen. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] zal dan bij de moeder worden bepaald. De rechtbank zal geen kennis nemen van eventuele andere stukken die worden overgelegd.
4.24.
Ongeacht of [minderjarige] met de vader naar [plaats 1] terugverhuist of dat zij bij de moeder gaat wonen, zullen de forse zorgen over [minderjarige] blijven bestaan. De rechtbank vindt het van groot belang dat de GI beter zicht krijgt op de (gezondheids)situatie van [minderjarige] . De rechtbank gaat er vanuit dat de gezondheidssituatie van [minderjarige] (aan de hand van de verdere informatie die de GI ter beschikking krijgt over bijvoorbeeld het aanstaande ziekenhuisonderzoek van [minderjarige] in België ten aanzien van haar ondergewicht, motoriek en het bezoek aan de uroloog) door de GI goed gemonitord wordt. De rechtbank verwacht ook dat de GI, meer dan zij eerder hebben gedaan, actief inzet op direct contact met [minderjarige] en actief gaat onderzoeken hoe de dynamiek tussen de ouders is, met name ten aanzien van een mogelijke machtsdisbalans. Dit vraagt wellicht om een andere aanpak van de GI (en de hulpverlening) dan waar tot nu toe rekening mee is gehouden. De moeder heeft hier meerdere keren uitdrukkelijk op gewezen en aandacht voor gevraagd en het is van belang dat hier beter zicht op komt. De rechtbank verwacht dus dat de GI zich actief, frequent en diepgravend blijft inzetten om de doelen van de ondertoezichtstelling te behalen.
Verzoek van de moeder onder III.
4.25.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder onder III. afwijzen omdat hiervoor een wettelijke grondslag ontbreekt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.26.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dit betekent dat de beslissing meteen moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De rechtbank vindt het belangrijk dat de beslissing meteen geldt omdat het voor [minderjarige] duidelijk moet zijn waar zij woont en naar school gaat. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat deze beslissing nog verder wordt uitgesteld. Zij verkeert namelijk al lange tijd in onzekerheid over waar zij zal gaan wonen en dat geeft haar veel spanning. Daarnaast vindt de rechtbank de toegenomen zorgen na de verhuizing ook hier van belang.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek om [minderjarige] naar de moeder terug te brengen;
5.2.
wijst de verzoeken van de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar [verblijfplaats] (België) te verhuizen en om haar in te schrijven op de middelbare school [onderwijsinstelling] in [plaats 2] (België) af;
5.3.
houdt de beslissing over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] aan tot
15 december 2025;
5.4.
verzoekt de vader uiterlijk op 15 december 2025 aan de rechtbank stukken te overleggen waaruit blijkt dat hij [minderjarige] per 1 januari 2026 heeft uitgeschreven van de [onderwijsinstelling] , dat hij zichzelf en [minderjarige] per 1 januari 2026 heeft ingeschreven in de gemeente [plaats 1] en dat hij [minderjarige] heeft ingeschreven op een middelbare school in (de omgeving van) [plaats 1] waar zij in januari 2026 kan beginnen;
5.5.
verklaart de beslissing onder punt 5.2 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.W.V. van Duursen (voorzitter), mr. T. Dopheide en mr. N.W. Verbruggen-van Heijst, kinderrechters, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 7 lid 1 Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter)
2.Het Haags Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Tractatenblad 1987, 139.
3.HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834.
4.Artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
5.Artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
6.HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901.
7.Artikel 1:253a BW.