ECLI:NL:RBMNE:2025:6498

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
25/951
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen omgevingsvergunning wegens te late indiening

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eisers tegen een omgevingsvergunning behandeld. De vergunning was verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere voor de bouw van twee appartementengebouwen. Eisers hebben hun beroepschrift te laat ingediend, wat leidt tot niet-ontvankelijkheid van hun beroep. De rechtbank oordeelt dat het te laat indienen van het beroepschrift niet verschoonbaar is. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en begint op de dag na de bekendmaking van het besluit. In dit geval was de bekendmaking op 20 december 2024, waardoor de termijn eindigde op 31 januari 2025. Eisers hebben hun beroepschrift op 3 februari 2025 ter post bezorgd, wat buiten de termijn valt. De rechtbank wijst erop dat het aan de indiener is om aan te tonen dat het beroepschrift eerder ter post is bezorgd, wat eisers niet hebben kunnen doen. De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is en dat eisers geen recht hebben op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A. Rademaker, in aanwezigheid van griffier I.C. de Zeeuw-'t Lam, en is openbaar uitgesproken op 5 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/951

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] ,

[eiser 2],
beiden uit [plaats] , eisers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J. Molenaar en mr. J.P.H. de Bruin).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: P. Kok).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen de omgevingsvergunning die het college op 23 december 2024 aan vergunninghouder heeft verleend voor het realiseren van twee appartementengebouwen met in totaal 72 appartementen aan de [adres] in [plaats] .
1.2.
Op 1 april 2025 heeft deze rechtbank het beroep van eisers (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is.
1.3.
Op 7 juli 2025 heeft de verzetsrechter het verzet gegrond verklaard en de uitspraak van 1 april 2025 vervallen verklaard. Dit betekent dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank moet voordat zij een beroep in behandeling neemt eerst ambtshalve beoordelen of dat beroep ontvankelijk is. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toetsingskader

3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit ter inzage is gelegd. [2] Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post [4] wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [5] Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de envelop een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.
4. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [6]
Is het beroep te laat ingediend?
5. Vast staat dat het college het bestreden besluit heeft bekendgemaakt op 20 december 2024 door publicatie in het Gemeenteblad van de gemeente Almere en op de website [internetsite] , zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift (zes weken later) eindigde op 31 januari 2025. Deze reactietermijn staat ook vermeld in de publicatie.
6. Eisers hebben het beroepschrift, wat ook een verzoek om voorlopige voorziening inhield, met PostNL verstuurd. De envelop waarin het beroepschrift bij de rechtbank is bezorgd bevat een leesbaar poststempel met de datum 3 februari 2025. De verzetsrechter heeft ten onrechte overwogen dat deze envelop niet door de rechtbank bewaard zou zijn. Deze envelop is bewaard in het dossier dat is aangemaakt voor het verzoek om voorlopige voorziening, met zaaknummer UTR 25/950. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het beroepschrift op 3 februari 2025 op de post is gedaan. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verschoonbaar?
7. Eisers lichten in hun verzetschrift toe dat zij met het indienen van het beroep tot het einde van de beroepstermijn hebben gewacht, omdat zij bij het college hadden aangedrongen op informatieverstrekking gevolgd door overleg met de klankbordgroep. Zij stellen dat toen het college daarop niet voor het einde van de beroepstermijn reageerde, zij het beroepschrift op de laatste dag van de beroepstermijn – op 31 januari 2025 – op de post hebben gedaan. Voor zover het beroepschrift pas op 3 februari 2025 door PostNL is verwerkt voor verzending, ligt dit volgens eisers buiten hun macht.
8. De rechtbank volgt eisers daarin niet. Uit de rechtspraak [7] volgt dat een door PostNL aangebrachte datumstempel het uitgangspunt is bij het vaststellen van de datum van terpostbezorging van het beroepschrift. Als uit de datum van de poststempel blijkt dat het beroepschrift te laat ter post is bezorgd, is het aan de indiener om aannemelijk te maken dat het beroepschrift eerder ter post is bezorgd. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele stelling van eisers dat het beroepschrift op 31 januari 2025 bij de [locatie] in [plaats] is afgegeven, daarvoor onvoldoende. Voor zover eisers meer zekerheid wilden hebben over de tijdige bezorging ter post merkt de rechtbank op dat zij hun beroepschrift aangetekend hadden kunnen verzenden of via het digitaal beroepschriftformulier beroep in hadden kunnen stellen. Van die mogelijkheden hebben zij geen gebruik gemaakt. Het te laat indienen van het beroepschrift is niet verschoonbaar. Dat eisers het college om overleg hadden gevraagd maakt dit oordeel niet anders. Het komt voor rekening en risico van eisers dat zij de reactie daarop zo lang hebben afgewacht en hun beroepschrift niet eerder in de beroepstermijn ter post hebben bezorgd.
9. Eisers hebben nog gesteld dat algemeen bekend is dat de postbezorging al enige tijd te wensen overlaat en PostNL steeds minder vaak de brievenbussen licht, zodat de te late verzending hen niet kan worden tegengeworpen. De rechtbank ziet daarin in dit geval geen excuus voor het te laat indienen van het beroep. De ervaren problemen met postbezorging zijn gelegen in het bezorgen van al dan niet aangetekende post. In dit geval zou het probleem volgens eisers zijn gelegen in het aanleveren van de post bij PostNL en vervolgens de verwerking daarvan. Daarvan zijn geen ongeregeldheden bij de rechtbank bekend.
10. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat als eisers het beroepschrift wel op het allerlaatste moment voor het aflopen van de beroepstermijn ter post zouden hebben bezorgd, het beroep alsnog niet-ontvankelijk zou zijn geweest. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Ow in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. [8] De aanvraag om een omgevingsvergunning is in dit geval ingediend op 11 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Ook de Crisis- en herstelwet (Chw) blijft op dit beroep van toepassing. [9] In dat geval is het beroep niet-ontvankelijk als het beroepschrift geen beroepsgronden bevat. [10] Het beroepschrift van eisers bevat geen beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:8, vierde lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
5.Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
7.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2138.
8.Dit volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Ow.
9.Dit volgt uit artikel 4.62, tweede lid, van de Invoeringswet Ow en de memorie van toelichting bij die wet.
10.Artikel 1.6, tweede lid, van de Chw.