Aan de betrokkenen zijn vier administratieve sancties opgelegd voor verkeersovertredingen uit 2023. De officier van justitie verklaarde de administratief beroepen ongegrond waarna de betrokkenen beroep instelden bij de kantonrechter. Tijdens de zitting waren de betrokkenen en hun gemachtigde afwezig; de kantonrechter sloot het onderzoek en deed twee weken later uitspraak.
De beroepsgronden bestonden uit een algemene ontkenning van de gedragingen zonder nadere onderbouwing, terwijl in één zaak zelfs een erkenning van de gedraging was gedaan. De kantonrechter oordeelde dat deze beroepsgronden evident kansloos waren, mede omdat de gemachtigde een ervaren rechtsbijstandverlener is. De overschrijding van de redelijke termijn werd vooral aangevoerd om proceskostenveroordeling te verkrijgen.
De kantonrechter stelde vast dat het indienen en handhaven van deze beroepen te kwader trouw was en kwalificeerde dit als misbruik van recht. Hierdoor werden de beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat de officier van justitie geen kosten had gemaakt. Tevens werd erkend dat de redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot inhoudelijke beoordeling van de sancties.