ECLI:NL:RBMNE:2025:6550

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/1974
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:19 AwbArt. 8:88 AwbArt. 15.2, tweede lid, onder d, OmgevingsbesluitArt. 22.63 Omgevingsplan Gooise Meren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek verkeersgeluid wegens ontbreken overtreding wettelijke norm

Eiser diende een verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren om handhavend op te treden tegen vermeende overschrijding van geluidsnormen rondom zijn woning aan een gemeentelijke weg. Het college wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen het besluit.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een overtreding van een wettelijke norm. De Wet geluidhinder en het Besluit kwaliteit leefomgeving bieden geen grondslag voor handhaving tegen geluid van bestaande gemeentelijke wegen, tenzij sprake is van een saneringswoning, wat hier niet het geval is. Het college is pas verplicht maatregelen te treffen na vaststelling van een basisgeluidemissie en monitoring, wat nog niet heeft plaatsgevonden.

Eiser stelde tevens dat het besluit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro vanwege ernstige geluidsoverlast die zijn gezondheid en woongenot aantast. De rechtbank acht dit niet aannemelijk en wijst de verwijzing naar WHO- en RIVM-rapporten af als onvoldoende bewijs. Ook is het college niet nalatig in het treffen van maatregelen.

Het beroep tegen het besluit van 4 maart 2025 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2025 wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Het college moet het griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het handhavingsbesluit wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van overtreding en geen schending van artikel 8 EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1974

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder
(gemachtigde: P. Gómez).

Inleiding

1. Eiser woont en werkt sinds begin 2025 in het pand [adres 1] in [plaats] . Vóórdat
eiser het pand betrok, heeft hij de gemeente in zijn mail van 4 juni 2024 gevraagd de geluidsnorm rondom de [adres 2] , en specifiek voor zijn woning, te handhaven. Na enige correspondentie hierover met de gemeente heeft eiser op 17 juni 2024 bij het college een verzoek ingediend om de volgens hem maximaal toegestane limiet van 48 dB te handhaven.
2. In het besluit van 16 september 2024 heeft het college het verzoek om handhaving
afgewezen. Het bezwaar van eiser tegen dit besluit, heeft het college met het besluit van
4 maart 2025 ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen dit besluit.
3. Het college heeft tijdens de beroepsprocedure de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en
Vechtstreek (OFGV) om advies gevraagd. Naar aanleiding van dit advies heeft het college met het besluit van 25 augustus 2025 zijn eerdere besluit van 4 maart 2025 gewijzigd. Het beroep van eiser is van rechtswege gericht tegen het nieuwe besluit van 25 augustus 2025. [1]
Eiser heeft een aanvullende reactie gegeven op het nieuwe besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan
heeft eiser deelgenomen. Namens het college heeft zijn gemachtigde deelgenomen, samen met [persoon1] en [persoon2] .

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat er geen sprake is van een overtreding van
een wettelijke norm. Het college heeft daarom terecht het handhavingsverzoek afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het besluit van 4 maart 2025
6. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser nog procesbelang heeft bij de beoordeling
van het beroep voor zover zich dat richt tegen het besluit van 4 maart 2025. Daarom wordt het beroep daartegen niet-ontvankelijk verklaard.
Het besluit van 25 augustus 2025
7. Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen omdat hij vindt dat er geen
sprake is van een overtreding. Er is geen sprake van een saneringswoning zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, zodat het college niet verplicht is saneringsmaatregelen te treffen. Verder is er volgens het college voor bestaande gemeentelijke wegen (zoals de [adres 2] in [plaats] ) op dit moment geen wettelijk instrument om een geluidnorm te handhaven. Door de Omgevingswet wordt hierin wel voorzien in de vorm van het vaststellen van een basisgeluidemissie. Zoals het er nu naar uitziet zal een basisgeluidemissie uiterlijk in 2028 vastgesteld moeten worden, waarna deze elke 5 jaar gemonitord wordt. Wanneer blijkt dat het geluid afkomstig van de betreffende weg met meer dan 1.5 dB is toegenomen, moet het college hiertegen maatregelen treffen. Dat is nu echter nog niet aan de orde. Het college vindt dat er geen strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat niet aannemelijk is dat de overlast zodanig is dat eiser in ernstige mate in zijn gezondheid wordt getroffen of wordt belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven.
Beroepsgronden
8. Eiser voert aan dat de redenering van de gemeente fouten bevat. Hij stelt dat er wel
geluidsregels gelden voor het pand omdat het niet alleen een kantoorbestemming heeft. Ook is het geluid op de gevel niet afkomstig van meerdere bronnen. Volgens eiser is artikel 22.63 van het Omgevingsplan van de gemeente Gooise Meren handhaafbaar en hij wijst er op dat de door hem gemeten waarde op de gevel ver boven de in dat artikel genoemde waarden uitkomt. Eiser stelt dat de gemeente in strijd met het EVRM handelt door niets te doen aan de geluidsoverlast want het is duidelijk dat dit zorgt voor ernstige gezondheidsschade. In dit geval bedraagt het geluid aanzienlijk meer dan de advieswaarde voor geluid van 53 DB Lden die wordt gehanteerd door het RIVM en de WHO. Het college laat na om afdoende maatregelen te nemen, zo is er geen actueel geluidplan, is bij de vernieuwing van het wegdek in 2021 niet het stilste wegdek gekozen, zal het verkeer met 10% toenemen door de wijziging van het bestemmingsplan Borgronden, zijn geen geluidswerende maatregelen mogelijk wegens welstandseisen beschermd stads- en dorpsgezicht en is of wordt er geen 30 km zone gecreëerd. Eiser schat zijn schade als gevolg van de geluidshinder voor acht maanden op ongeveer € 6.000,- en claimt daarvan een bedrag van € 2.500,-.
Is er sprake van een overtreding?
9. De rechtbank beoordeelt in deze zaak eerst of er sprake is van een overtreding. Zonder
het bestaan van een overtreding, is het college immers in principe niet bevoegd tot handhavend optreden. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van overtreding van een wettelijke norm, en het college daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden. Voor zover eiser wijst naar het verleden, geldt dat de normen uit de Wet geluidhinder alleen bescherming boden wanneer als gevolg van een ruimtelijk besluit niet meer aan de geldende geluidgrenswaarden wordt voldaan, maar niet wanneer als gevolg van, bijvoorbeeld, de groei van het verkeer ter plaatse niet meer wordt voldaan aan eerder vastgestelde hogere geluidgrenswaarden. Deze normen bieden dus geen zelfstandige grondslag voor het vaststellen van een overtreding. [2] Voor het heden geldt dat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 3.5 regels bevat over het geluid van wegen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen gemeentewegen en lokale spoorwegen en andere wegen. Voor gemeentewegen geldt geen geluidproductieplafond als omgevingswaarde. Dat betekent dat in deze regels voor bestaande woningen geen maximale geluidsbelasting van gemeentewegen is opgenomen. Dit biedt dus evenmin een grondslag voor handhavend optreden. Uit het overgangsrecht in artikel 15.2, tweede lid, onder d, van het Omgevingsbesluit volgt nog dat bestaande woningen in aanmerking voor sanering komen als de maximale geluidsbelasting van gemeentewegen meer dan 70 L(den) bedraagt. Daarvan is hier echter geen sprake. Verder geldt dat het college pas na het vastleggen van de basisgeluidemissie verplicht is de ontwikkeling van het geluid van een weg te monitoren en bij een toename van 1,5 dB te overwegen maatregelen te nemen. [3] Daarvoor is het dus nu nog te vroeg. Voor zover eiser heeft gewezen op artikel 22.63 van het Omgevingsplan geldt dat dit artikel niet ziet op geluid dat afkomstig is van gemeentelijke wegen.
Strijd met artikel 8 van Pro het EVRM?
10. In artikel 8 van Pro het EVRM is bepaald dat een ieder het recht heeft op respect voor zijn
privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak kent het EVRM geen uitdrukkelijk recht toe op een schone en stille omgeving, maar kan strijd met artikel 8 ontstaan Pro als de overlast zo is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven. [4]
Daarbij speelt ook een rol in hoeverre maatregelen zijn of worden genomen om de overlast te beperken. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het geluid van het wegverkeer op de [adres 2] zodanige overlast veroorzaakt dat sprake is van een inbreuk op artikel 8 van Pro het EVRM. De verwijzing van eiser naar het WHO-rapport en het RIVM-rapport is hiervoor onvoldoende. In deze rapporten gaat het immers enkel om aanbevelingen. In de uitspraak van 9 november 2010, 2345/06 (Deés t. Hongarije) waar eiser op wijst, was sprake van overtreding van nationale normen waar het bestuursorgaan niet tegen optrad. Dat is in dit geval niet aan de orde. De rechtbank vindt ook niet dat het college te weinig heeft gedaan of doet aan de overlast die eiser ondervindt. In het verleden zijn woningen gesaneerd en is stiller wegdek aangebracht. Ook is het Actieplan geluid 2025-2029 vastgesteld, waarin mogelijke maatregelen om wegverkeerslawaai te verminderen zijn opgenomen. Verder is van belang dat het college heeft verklaard dat het geluid de komende jaren zal worden gemonitord en waar nodig, actie zal worden ondernomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Het verzoek om schadevergoeding
11. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet
bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Nu de beroepsgronden niet slagen en het besluit in stand blijft, ziet de rechtbank geen wettelijke grondslag voor de door eiser verzochte schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek af.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het handhavingsverzoek terecht
heeft afgewezen, omdat er geen sprake is van een overtreding. Omdat het college tijdens de beroepsprocedure een nieuw besluit heeft genomen, krijgt eiser wel het griffierecht terug. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 4 maart 2025 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2025 ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht aan eiser moet vergoeden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2953.
3.Artikel 3.27 en verder van het Bkl.
4.Zie het arrest van het EHRM van 13 juli 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205 (Jugheli tegen Georgië), punt 62 en de daar aangehaalde rechtspraak).