ECLI:NL:RBMNE:2025:6555

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/3762
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling van loonaanvullingsuitkering en de afwijzing van nieuwe feiten door het Uwv

Op 27 november 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen Stichting Hilverzorg en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv). De zaak betreft een aanvraag van Stichting Hilverzorg voor een herbeoordeling van de belastbaarheid van een ex-werkneemster, die eerder een loongerelateerde WGA-uitkering had ontvangen. Het Uwv had in 2016 een WGA-uitkering toegekend, die in 2018 werd omgezet naar een loonaanvullingsuitkering. Eiseres verzocht om de herbeoordeling met als ingangsdatum 16 december 2018, maar het Uwv weigerde dit, stellende dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herbeoordeling rechtvaardigden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuw feit was, aangezien het ontbreken van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten tijde van het besluit van 25 september 2018 al bekend was. Eiseres had de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen dat besluit, maar heeft dit nagelaten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Uwv het verzoek van eiseres terecht als een verzoek om terug te komen op het eerdere besluit heeft opgevat. De uitspraak werd gedaan in een hybride zitting, waarbij de gemachtigden van eiseres en de ex-werkneemster digitaal deelnamen, terwijl het Uwv fysiek aanwezig was.

De rechtbank heeft de uitspraak onmiddellijk na de zitting gedaan en benadrukt dat partijen de mogelijkheid hebben om in hoger beroep te gaan. De uitspraak is openbaar uitgesproken door rechter M.W.A. Schimmel, in aanwezigheid van griffier S.N. van Ooijen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3762

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

27 november 2025 in de zaak tussen

Stichting Hilverzorg, uit Hilversum, eiseres

(gemachtigde: C. Holmes-Groenleer)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(Uwv), verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma)
Als derde-partij neem aan het geding deel:
[ex werkneemster](ex-werkneemster)
(gemachtigde: mr. B. Bostancieri).

Inleiding

1. Het Uwv heeft met het besluit van 7 juli 2016 met ingang van 16 september 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan ex-werkneemster toegekend. Met het besluit van
25 september 2018 heeft het Uwv de WGA-uitkering per 16 december 2018 omgezet naar een loonaanvullingsuitkering.
2. Op 27 januari 2022 heeft eiseres een aanvraag om een herbeoordeling van de uitkering van ex-werkneemster ingediend. Eiseres heeft het Uwv verzocht om voor de uitkomst van de herbeoordeling als ingangsdatum 16 december 2018 te hanteren.
3. Het Uwv heeft het verzoek van eiseres beschouwd als een verzoek om terug te komen op het besluit van 25 september 2018. Het Uwv heeft zich in het besluit van
22 april 2025 (het primaire besluit) op het standpunt gesteld dat eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, zodat het Uwv bij het besluit van 25 september 2018 is gebleven.
4. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. In het besluit op bezwaar van 22 mei 2025 (het bestreden besluit) is het Uwv bij zijn standpunt gebleven. Omdat eiseres in bezwaar ook heeft verzocht om de actuele belastbaarheid van ex-werkneemster vast te stellen, heeft het Uwv in het bestreden besluit vermeld dat dit verzoek in behandeling wordt genomen.
5. Eiseres is het niet eens met het besluit van het Uwv om niet terug te komen op het besluit van 25 september 2018 en heeft tegen het bestreden besluit beroep bij de rechtbank ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook derde-partij heeft schriftelijk op het beroep gereageerd en heeft zich bij het standpunt van het Uwv aangesloten.
6. Het beroep is op 27 november 2025 met behulp van een beeldverbinding op een hybride zitting door de rechtbank behandeld. De gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van ex-werkneemster hebben digitaal via Teams deelgenomen. Het Uwv heeft zich fysiek laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
7. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank in dit proces-verbaal.

Beslissing

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Motivering van de beslissing

9. De rechtbank heeft op de zitting met partijen vastgesteld dat de omvang van het geschil is beperkt tot de herbeoordeling van de belastbaarheid van ex-werkneemster per
16 december 2018. Tegen het besluit van 25 september 2018, waarin per 16 december 2018 een loonaanvullingsuitkering aan ex-werkneemster is toegekend, zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan. Gelet daarop heeft het Uwv het verzoek van eiseres naar het oordeel van de rechtbank terecht opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit van 25 september 2018. De vraag die bij de rechtbank voorligt, is of het Uwv terecht heeft beslist dat eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan het Uwv had moeten terugkomen op het besluit van
25 september 2018.
10. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en neemt hierbij het volgende in overweging. Ter onderbouwing van de aanvraag heeft eiseres gewezen op het feit dat aan het besluit van 25 september 2018 geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Zoals eiseres ook op de zitting heeft bevestigd, is dat echter een feit dat ten tijde van het besluit van 25 september 2018 al bekend was. Van een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht is dan ook geen sprake. Als eiseres het niet eens was met het ontbreken van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dan had het op haar weg gelegen om bezwaar tegen het besluit van 25 september 2018 te maken. Dat heeft zij echter niet gedaan.
11. Eiseres heeft ook niet gesteld dat het van het Uwv evident onredelijk was om niet terug te komen op het besluit van 25 september 2018. De rechtbank is daarvan ook niet gebleken. Ook tegen die achtergrond heeft het Uwv het bestreden besluit kunnen nemen.
12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025 door mr. M.W.A. Schimmel rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier.
de rechter is verhinderd om de uitspraak te tekenen.
de griffier de rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.