ECLI:NL:RBMNE:2025:6584

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/3125
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor zonneweide in strijd met bestemmingsplan?

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 2 december 2025 uitspraak gedaan over de omgevingsvergunning voor het realiseren van een zonneweide in Wijk bij Duurstede. Het college van burgemeester en wethouders had op 8 mei 2025 de omgevingsvergunning verleend, nadat eerdere besluiten waren vernietigd omdat er geen verklaring van geen bedenkingen was gevraagd. Eisers, bestaande uit zes personen en een B.V., hebben beroep ingesteld tegen deze vergunning, stellende dat de vergunning in strijd is met het bestemmingsplan en dat er onvoldoende rekening is gehouden met stikstofdepositie en de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 21 oktober 2025 en geconcludeerd dat het college in redelijkheid de vergunning heeft kunnen verlenen. De rechtbank oordeelde dat de belangen van eisers niet onevenredig worden geschaad en dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van eisers is ongegrond verklaard, en zij krijgen geen griffierecht terug.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3125

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

1.
[eiser 1],
2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
4.
[eiser 4],
5.
[eiser 5],
6.
[eiser 6],
8.
[eiseres] B.V.,
allen uit [plaats 1] , samen te noemen als eisers
(gemachtigden: mr. A.P. Loo en mr. S. Taqawi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. A. Kabaktepe).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder] B.V.uit [plaats 2] , vergunninghouder (gemachtigde: mr. T. Brouwer).

Inleiding

Deze zaak gaat over een verleende omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het realiseren van een zonneweide aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats 1] (het perceel).
Vergunninghouder heeft deze omgevingsvergunning op 6 maart 2023 aangevraagd. Bij het eerdere besluit van 29 augustus 2023 had het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Tegen dit besluit hadden een aantal eisers beroep ingesteld. Die beroepen heeft de rechtbank in de uitspraak van 27 juni 2024 gegrond verklaard, omdat het college ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) bij de gemeenteraad had gevraagd. [1] Daarbij is het besluit van 29 augustus 2023 vernietigd en is het college opgedragen om opnieuw op de aanvraag te beslissen in het kader waarvan aan de gemeenteraad een vvgb moet worden gevraagd.
Dat heeft het college gedaan, waarbij de omgevingsvergunning is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. [2] Op 6 december 2024 heeft het college eerst een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd, waarover eenieder zienswijzen naar voren heeft kunnen brengen.
Eisers hebben ook zienswijzen ingebracht, omdat zij het niet eens zijn met de verlening van de omgevingsvergunning.
De gemeenteraad van Wijk van Duurstede heeft vervolgens op 18 maart 2025 een vvgb afgegeven.
De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassingen in de ontwerp-omgevingsvergunning. Het college heeft vervolgens op 8 mei 2025 de omgevingsvergunning (het bestreden besluit) verleend.
Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Van de kant van eisers hebben hieraan deelgenomen: [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] met hun gemachtigden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [persoon1] (senior adviseur ruimtelijke ontwikkeling) en [persoon2] (adviseur duurzaamheid). Van de kant van vergunninghouder is de gemachtigde verschenen, bijgestaan door [persoon3] (mede-eigenaar van [bedrijf 1] ) en [persoon4] (adviseur bij [bedrijf 2] ).

Het project

1. De zonneweide ligt ten noorden van de [locatie 1] en ten westen van de [locatie 2] in [plaats 1] . De zonneweide is voorzien op agrarische gronden. Het projectgebied heeft een bruto oppervlakte van ongeveer 10,5 hectare, waarvan ongeveer 7,8 hectare wordt ingericht als zonneveld. De overige 2,7 hectare worden ingezet voor de realisatie van meer natuur, versterking van de biodiversiteit, educatie en recreatie.
Figuur 2 Begrenzing hoofdgebied

Het toetsingskader

2. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
3. De omgevingsvergunning ziet op de aanleg van een productie-installatie ten behoeve van hernieuwbare elektriciteit door zonne-energie. Dat heeft tot gevolg dat ook de Crisis- en herstelwet (Chw) nog van toepassing is. [3] De rechtbank heeft het beroep daarom versneld behandeld. [4]
4. Op het perceel is het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (het bestemmingsplan) van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming ‘Agrarisch’. Verder komen binnen het perceel de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie 2’, ‘Waarde-Archeologie 3’ en ‘Waarde-Archeologie 4’ voor.
5. Partijen zijn het erover eens dat het aangevraagde project in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het realiseren van de zonneweide op het perceel niet is toegestaan.
Het college is afgeweken van het bestemmingsplan. [5] Bij die beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van de planregels uit een bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, komt het college beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [6]

Het geschil

6. Het college heeft aan de omgevingsvergunning de door vergunninghouder ingediende ruimtelijke onderbouwing ‘ [vergunninghouder] ’ van 31 januari 2025 (de ruimtelijke onderbouwing) ten grondslag gelegd. Mede op grond van de ruimtelijke onderbouwing is het standpunt van het college dat geen van de van belang zijnde aspecten een belemmering vormt voor het realiseren van de zonneweide. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren in beroep verschillende argumenten aan op grond waarvan de omgevingsvergunning volgens hen niet verleend had mogen worden.
7. Aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank beoordelen of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Beoordeling door de rechtbank

8. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke kant van de zaak, zal zij eerst twee formele punten bespreken.
Nieuwe gronden en goede procesorde
9. Eisers hebben op 13 oktober 2025 de contra-expertise met betrekking tot de stikstofberekening van 9 oktober 2025 aan de rechtbank toegezonden. Vergunninghouder stelt dat de contra-expertise nieuwe gronden bevat en dus buiten beschouwing moet worden gelaten. Daarnaast vinden het college en vergunninghouder dat dit stuk in strijd met de goede procesorde te laat is ingediend en dus ook om die reden niet in de procedure betrokken kan worden.
10. De rechtbank is van oordeel dat de contra-expertise geen nieuwe gronden bevat, maar een aanvulling vormt op de gronden zoals al aangevoerd in het beroepschrift van 14 mei 2025. Artikel 1.6a van de Chw verzet zich er niet tegen dat een nadere onderbouwing van een tijdig ingediende beroepsgrond bij de behandeling van het beroep wordt betrokken. [7]
11. Eisers hebben in hun beroepschrift van 14 mei 2025 gesteld dat een vergunningplicht geldt op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) vanwege de stikstofdepositie, omdat als gevolg van het project significante effecten op naastgelegen Natura 2000-gebieden niet zijn uitgesloten. Ter onderbouwing hiervan hebben eisers aangevoerd dat hierbij geen rekening mag worden gehouden met de gevolgen van de oude situatie waaronder het zogenoemde ‘intern salderen’ valt. Dit argument hebben eisers op de zitting ingetrokken. In plaats daarvan stellen eisers enerzijds dat hen het recht op inspraak is ontnomen, omdat er geen Wnb-vergunning is aangevraagd en dus ook niet ter inzage heeft gelegen. Daardoor is volgens eisers ook niet duidelijk of voor het project een vvgb had moeten worden gevraagd en of het college al dan niet bevoegd was om de omgevingsvergunning te verlenen. Anderzijds stellen eisers dat uit de ingebrachte contra-expertise blijkt dat het onduidelijk is of alle activiteiten, die behoren tot de bouwfase, zijn meegenomen in de bij de vergunningaanvraag behorende stikstofberekening. De rechtbank ziet deze argumenten als een nadere aanvulling van de al eerder aangevoerde grond dat er een vergunningplicht op de grond van de Wnb geldt. De rechtbank ziet daarom geen reden om de contra-expertise en de op de zitting gegeven nadere toelichting op grond van artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing te laten.
12. Daarnaast ziet de rechtbank geen reden om de contra-expertise wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Deze stukken zijn weliswaar binnen de termijn van tien dagen voor de zitting, en dus te laat, binnengekomen. [8] Maar zowel de rechtbank als andere partijen hebben vóór de zitting de contra-expertise kunnen lezen en partijen hebben op de zitting de gelegenheid gehad om op dit stuk te reageren waarvan zij ook gebruik hebben gemaakt. De rechtbank vindt daarom dat het college en vergunninghouder niet in hun belangen zijn geschaad.
Het relativiteitsvereiste met betrekking tot de Wnb-vergunningplicht
13. De rechtbank beoordeelt de hiervoor weergegeven aanvullingen van de grond dat er een vergunningplicht op de grond van de Wnb geldt, echter niet inhoudelijk. De rechtbank legt dat hierna verder uit.
14. In de Wnb en de daarop gebaseerde regelgeving staan regels om het behoud van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden te beschermen (gebiedsbescherming). Die natuurwaarden kunnen geraakt worden door de uitstoot van stikstof. De Wnb beschermt daarmee algemene en niet individuele belangen. Soms kan het echter toch zo zijn dat de Wnb met de gebiedsbescherming ook bescherming geeft aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van iemands directe woon-, leef- en bedrijfsomgeving. Dat is het geval als dat belang verweven is met het algemene belang dat wordt beschermd door de regels van de Wnb. Voor de vraag of dat zo is wordt gekeken naar de situering van de woning (of bedrijfsgebouw) van eisers, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van eisers en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied. [9] Als geen sprake is van verwevenheid zal het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb worden tegengeworpen.
15. Op de zitting hebben eisers onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023 [10] gesteld dat de relativiteit op dit punt niet kan worden tegengeworpen, omdat hun inspraakrechten zijn geschonden.
16. De rechtbank volgt eisers hierin niet. In overweging 7.8 van de aangehaalde uitspraak is geoordeeld dat voortaan bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de procedurele normen over het recht op inspraak zelfstandige betekenis toekomt. Het gevolg daarvan is dat de Afdeling niet langer aan een (niet-)belanghebbende het relativiteitsvereiste zal tegenwerpen ten aanzien van een door hem ingeroepen procedurele norm over het recht op inspraak. Anders dan in deze uitspraak aan de orde was, zien de beroepsgronden van eisers over stikstof niet op een schending van een procedurele norm over het recht op inspraak, maar op de gestelde strijd met de materiële norm van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (en het vereiste uit artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo waaruit volgt dat onlosmakelijk verbonden activiteiten deel moeten uitmaken van dezelfde aanvraag om omgevingsvergunning). Dat betekent dat de rechtbank nog steeds het relativiteitsvereiste moet beoordelen en dus moet bezien of deze normen strekken tot bescherming van de belangen van eisers.
17. Tussen partijen is niet in geschil dat de afstand tussen de percelen van eisers en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied groter is dan 5 kilometer. Deze afstand is naar het oordeel van de rechtbank te groot om verwevenheid aan te nemen tussen de belangen van eisers en het algemene belang van gebiedsbescherming. Het beroep dat eisers doen op de materiële norm uit de Wnb strekt dan ook niet tot bescherming van hun belangen. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond.

Uitvoering aan de eerdere uitspraak en financieel motief

18. Eisers stellen dat de gemeenteraad geen nieuwe afweging heeft gemaakt over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de zonneweide, zoals dat door de rechtbank in de eerdere uitspraak van 27 juni 2024 is opgedragen. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat het tijdens de raadsvergadering alleen ging over de mogelijke schadeclaim als er geen akkoord voor het project zou worden gegeven. Eisers vragen zich af of de gemeenteraad zich bewust was van het besluit waar ze mee hebben ingestemd. Eisers vinden daarom dat er geen uitvoering is gegeven aan de opdracht van de rechtbank.
19. De rechtbank volgt eisers hierin niet. De rechtbank stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat het Beleidskader Zonnevelden Wijk bij Duurstede (het Beleidskader) niet meer van toepassing is, omdat dit beleid is komen te vervallen. De in de eerdere uitspraak van de rechtbank van 27 juni 2024 gegeven opdracht hield in dat het college aan de gemeenteraad een vvgb moest vragen. Het college heeft hieraan uitvoering gegeven. Daarbij heeft het college voor het verzoek om een vvgb af te geven in het voorstel aan de gemeenteraad van 18 februari 2025 onder andere verwezen naar de ‘Notitie beantwoording zienswijzen’ (de Notitie) en de ruimtelijke onderbouwing. In de Notitie wordt ingegaan op de verschillende ruimtelijke aspecten die door betrokkenen tegen de ontwerp-omgevingsvergunning naar voren zijn gebracht en de afweging die het college daarbij heeft gemaakt. De gemeenteraad heeft bij het afgeven van de vvgb ingestemd met de Notitie. De rechtbank is niet gebleken dat de gemeenteraad daarbij een onjuist of onvolledig beeld had van de door het college gemaakte ruimtelijke afweging. Ook ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat de vrees voor een mogelijke schadeclaim voor de gemeente een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de besluitvorming. In het raadsvoorstel wordt door het college weliswaar ook gewezen op de financiële risico’s als de omgevingsvergunning niet wordt verleend, maar dit betekent niet dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de zonneweide niet is beoordeeld of ondergeschikt is gemaakt bij het afgeven van de vvgb. In de eerdere uitspraak van 27 juni 2024 is verder niet voorgeschreven op welke wijze de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de zonneweide beoordeeld moet worden. De beroepsgrond slaagt dus niet.
20. Nu vaststaat dat het Beleidskader niet meer van toepassing is, hoeft de beroepsgrond van eisers dat het project daarmee in strijd is niet meer te worden besproken.
De Omgevingsvisie Kromme Rijngebied (de Omgevingsvisie)
21. Eisers stellen verder dat het project niet past binnen de kaders van de Omgevingsvisie. Het weghalen van 10,5 hectare (agrarische) landbouwgrond verhoudt zich volgens eisers niet met de duidelijke en nadrukkelijke beleidsmatige wens van de gemeente om binnen het gebied (in de omgevingsvisie aangeduid als ‘Landbouwgebied van de oeverwallen’), en meer specifiek in de directe omgeving van [plaats 1] , het primaat te laten uitgaan naar verdere ontwikkeling van landbouw en agrarische bedrijvigheid met bijbehorende innovatie. In de Omgevingsvisie staat dat er sterk wordt gehecht aan de landelijke, open gebiedssfeer en dat grote landschapsvullende ontwikkelingen, zoals een zonneweide, daarop een negatieve invloed heeft. [11]
22. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college in strijd met de Omgevingsvisie heeft gehandeld. Daarbij volgt de rechtbank het standpunt van het college dat de Omgevingsvisie zonneparken in het ‘Landbouwgebied van de oeverwallen’ niet uitsluit. Hoewel de Omgevingsvisie inzet op behoud en ontwikkeling van landbouw en agrarische bedrijvigheid, biedt de Omgevingsvisie naar het oordeel van de rechtbank ook ruimte voor zonneweides in het landbouwgebied. Zo wordt in de Omgevingsvisie de ambitie uitgesproken om binnen het gebied de maximale ruimte voor alternatieve energie aan te bieden. Daarbij wordt opgemerkt dat voorstellen met een ruimtelijke functionele impact op het gebied, zoals zonnecelvelden (zonneweides), onderwerp worden van een maatwerkproces. Praktisch betekent dit dat bijvoorbeeld zonnecelvelden in het ’Landbouwgebied van de oeverwallen’ mogelijk zijn, maar landschappelijk ingepast moet worden. [12]
23. Volgens het college gebeurt dit ook met de zonneweide op het perceel. Daarbij is toegelicht dat de bestaande karakteristieken van het landschap, waarin de zonneweide is gelegen en zoals omschreven in de Omgevingsvisie, blijven behouden en worden versterkt. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing met sterke gebiedseigen inrichtingselementen zoals struweelhagen, kruidenrijk grasland en een hoogstamfruitgaard, gaat het project volgens het college op in de bestaande landschapsstructuren en blijft de landelijke gebiedssfeer behouden. Dit is verder uitgewerkt in het Inrichtings- en beheerplan van 27 januari 2025. De rechtbank kan deze toelichting volgen. De beroepsgrond slaagt dus niet.
De Omgevingsverordening provincie Utrecht (de Omgevingsverordening)
24. Eisers voeren verder aan dat het realiseren van de zonneweide in strijd is met artikel 5.5 van de Omgevingsverordening. Uit de toelichting op dit artikel volgt volgens eisers het uitgangspunt dat zonnevelden op agrarische gronden niet zijn toegestaan. Voor zover de rechtbank anders oordeelt, is de zonneweide volgens eisers alsnog in strijd met het doel van de bepaling van de Omgevingsverordening. Artikel 5.5 en de toelichting daarop leggen immers nadrukkelijk de voorkeur op het plaatsen van zonnepanelen op daken, gevels en infrastructuur en dus niet op landbouwgronden.
25. De rechtbank is van oordeel dat uit de instructieregel van artikel 5.5 van de Omgevingsverordening niet volgt dat agrarische gronden zijn uitgesloten van gebruik voor zonnevelden. De toelichting op dit artikel geeft weliswaar aan dat de provincie voorkeur geeft aan plaatsing van zonnepanelen op daken, gevels en infrastructurele werken boven veldopstellingen of anders op gronden met een andere functie dan landsbouw of natuur. Maar er staat ook dat met al deze voorkeursopties binnen de provincie Utrecht er toch nog onvoldoende oppervlak beschikbaar is om de energieambities te behalen en dat het daarom nodig is om ook zonnevelden te ontwikkelen op agrarische grond, of deze samen te laten gaan met agrarische doeleinden.
26. In de ruimtelijke onderbouwing is verder geconcludeerd dat de realisatie van de zonneweide voldoet aan de instructieregels van artikel 5.5 van de Omgevingsverordening. Daarbij is ingegaan op aspecten zoals de landschappelijke inpassing, de bodem- en waterkwaliteit en de ontmanteling van de zonneweide na 30 jaar. [13] Eisers hebben hierover niets concreets naar voren gebracht.
27. Eisers hebben verder op de zitting gesteld dat er onvoldoende is gekeken naar de mogelijkheden van kavelruil. Eisers hebben mogelijkheden aangedragen waar vergunninghouder volgens hen niets mee heeft gedaan.
28. Het college stelt dat uit het participatierapport volgt dat vergunninghouder zich voldoende heeft ingespannen om de mogelijkheden van kavelruil te onderzoeken, maar dat die mogelijkheden er niet waren.
29. De rechtbank kan het college hierin volgen. In het participatierapport is beschreven op welke wijze de mogelijkheden van kavelruil zijn onderzocht. Daarin staat dat in de zoektocht naar een geschikte locatie in het buitengebied van [plaats 1] er met alle grondeigenaren contact is opgenomen waar contactgegevens van beschikbaar waren. Behalve de grondeigenaren van de planlocatie waren er geen geïnteresseerden. Uit dit onderzoek blijkt verder dat gedurende het participatieproces met meerdere omliggende grondeigenaren is gesproken over mogelijkheden tot kavelruil, maar er waren geen geschikte gronden beschikbaar
. [14]
30. Eisers betwisten dat er serieus onderzoek naar kavelruil is gedaan en stellen dat aan de grondeigenaren de verkeerde vragen zijn gesteld. Volgens hen had het onderzoek misschien een andere uitkomst gehad als aan de grondeigenaren de vraag zou zijn gesteld of zij minder goede landbouwgrond hadden willen ruilen voor goede landbouwgrond. Wat hier ook van zij en nog los van de vraag of die gronden geschikt waren, zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanwijzingen dat die grondeigenaren in dat geval wel bereid zouden zijn geweest om grond te ruilen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar kavelruil anders had kunnen uitpakken. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het onderzoek naar kavelruil onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Het college heeft zich dan ook op het participatierapport mogen baseren voor het standpunt dat vergunninghouder zich voldoende heeft ingespannen om te onderzoeken of kavelruil mogelijk was.
Alternatieve locaties
31. Eisers voeren ook nog aan dat er een geschikt alternatief voorhanden is, namelijk de locatie langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Volgens eisers is hier onvoldoende onderzoek naar gedaan.
32. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat het college bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Het college hoeft pas een alternatief in zijn besluitvorming te betrekken, wanneer het op voorhand aannemelijk is dat sprake is van een gelijkwaardig resultaat met aanzienlijk minder bezwaren. Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn om dit aannemelijk te maken. [15]
33. Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. Eisers motiveren niet waarom het realiseren van een zonneweide op de door hen aangedragen locatie minder ruimtelijke impact op de omgeving zou hebben. Daarbij is van belang dat het daarbij niet alleen om de bezwaren van eisers gaat, maar ook van andere omwonenden, de vergunninghouder en het college zelf. In dit verband betrekt de rechtbank dat in de ruimtelijke onderbouwing is gemotiveerd dat tijdens het participatieproces een aantal suggesties is gedaan voor andere locaties, maar die bleken ongeschikt vanwege technische uitvoerbaarheid (geen mogelijkheid tot aansluiting op het elektriciteitsnet) of vanwege hoge archeologische waarden in de grond. [16] Voor het ontwikkelen van een zonneweide is volgens de ruimtelijke onderbouwing alleen de huidige locatie uitvoerbaar, omdat de zonneweide aangesloten kan worden op het elektriciteitsnet en landschappelijk goed inpasbaar is binnen de aanwezige landschapsstructuren. Van een geschikt alternatief waarvan op voorhand duidelijk is dat er een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren, is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake.
De rijksinstructie
34. Tot slot stellen eisers dat ook vanuit rijksniveau een glasheldere boodschap is afgegeven, namelijk geen zonnevelden (meer) op agrarische gronden. Dit blijkt volgens eisers uit de brief van (toenmalige) minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
van 26 oktober 2023 over de aangescherpte voorkeursvolgorde zon (de Kamerbrief). [17]
35. De rechtbank stelt vast dat de Kamerbrief een aanscherping beschrijft van de voorkeursvolgorde in vier treden. De laatste voorkeur is zonnepanelen op landbouw- en natuurgronden onder specifieke voorwaarden. Het gebruik van landbouw- en natuurgronden voor zonnepanelen is volgens de kamerbrief in principe ongewenst. De rechtbank is met het college van oordeel dat deze Kamerbrief juridisch niet bindend is. Dit blijkt ook uit de Kamerbrief, waarin staat dat de aangescherpte voorkeursvolgorde nog juridisch verankerd moet worden in provinciale verordeningen. Het college heeft toegelicht dat de Kamerbrief in de provincie Utrecht niet heeft geleid tot een inhoudelijke wijziging van de na de Kamerbrief vastgestelde Omgevingsverordening. Zoals hiervoor onder punt 25 is overwogen, staat in de toelichting op artikel 5.5 van de Omgevingsverordening dat het in de provincie Utrecht noodzakelijk is om ook zonneweides te realiseren op agrarische gronden om te kunnen voldoen aan de gestelde energieambities. Bovendien staat in de Kamerbrief ook dat projecten doorgang kunnen vinden waarvan de participatietrajecten zoals in dit geval al in een vergevorderd stadium zijn, en niet (helemaal) conform de aangescherpte voorkeursvolgorde zijn vormgegeven. De beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

36. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van de zonneweide op het perceel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en evenmin leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor eisers. Het college heeft daarom kunnen afwijken van het bestemmingsplan en de gevraagde omgevingsvergunning kunnen verlenen.
37. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. T.J.H. Verstappen, leden, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zoals bedoeld in de beschrijving van categorie 1.1 van bijlage 1 bij de Chw.
4.In overeenstemming met afdeling 8.2.3 van de Awb.
5.Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a, sub 3°, van de Wabo.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4714.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1768, r.o. 10.1.
8.Als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb.
9.Zie de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.52.
11.Eisers hebben in dit verband verwezen naar pagina’s 37, 56 en 63 van de Omgevingsvisie.
12.Zie pagina 76 van de Omgevingsvisie.
13.Zie pagina 24 e.v. van de ruimtelijke onderbouwing.
14.Zie pagina 14 onder 4.5 van de Rapportage procesparticipatie en financiële participatie van 27 juli 2023.
15.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2012, ECLI:NL:RVS:2020:3112, r.o. 12.
16.Zie pagina 14 onder 4.5 van de Rapportage procesparticipatie en financiële participatie van 27 juli 2023.
17.Kamerstukken II 2023/24, 32813, nr. 1310.