ECLI:NL:RBMNE:2025:6597

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/2729
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verkeersbesluit niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belanghebbendheid

Op 3 november 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak waarin eisers, bewoners nabij de Griftdijk Noord in Nijmegen, beroep hebben ingesteld tegen een verkeersbesluit van het college van burgemeester en wethouders Nijmegen. Dit verkeersbesluit houdt de permanente afsluiting van een deel van de Griftdijk Noord in, met uitzondering voor ontheffinghouders, lijnbussen en taxi's. De rechtbank oordeelt dat eisers geen belanghebbenden zijn bij dit besluit, omdat hun argumenten voornamelijk betrekking hebben op de ontheffingsmogelijkheden en niet op de directe gevolgen van het verkeersbesluit zelf. De rechtbank stelt vast dat het college bij het nemen van het besluit rekening heeft gehouden met de belangen van de wijkbewoners en dat de eisers zich niet onderscheiden van andere weggebruikers. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De uitspraak benadrukt dat alleen degenen die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van een verkeersbesluit als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. De rechtbank wijst erop dat de wetgever niet heeft bedoeld dat iedereen die gebruik maakt van de weg beroep kan instellen tegen verkeersbesluiten. De eisers krijgen geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2729
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders Nijmegen

(gemachtigde: mr. A. Ok).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het bestreden besluit van 20 maart 2025. Daarin heeft het college het bezwaar van eisers tegen het verkeersbesluit van 29 november 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belanghebbenden zijn bij dat verkeersbesluit.
1.1.
Het verkeersbesluit waar het om gaat, houdt de permanente afsluiting van een deel van de Griftdijk Noord in Nijmegen in. Om deze afsluiting te bereiken heeft het college een verkeersbord C12 (gesloten voor alle motorvoertuigen) geplaatst. De afsluiting geldt niet voor ontheffinghouders, lijnbussen en taxi’s.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, omdat zij het er niet mee eens zijn dat zij niet als belanghebbenden zijn aangemerkt. De straat waarin zij wonen ligt in de wijk nabij de Griftdijk Noord. In het verkeersbesluit is verwezen naar de mogelijkheid voor bewoners van die wijk om op grond van de Beleidsregels ontheffingen artikel 87 RVV 2023 van de gemeente Nijmegen een ontheffing te krijgen. Volgens eisers volgt daar al uit dat de bewoners van de wijk als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. Verder wijzen eisers erop dat een ontheffing in beginsel verleend wordt op kenteken. Eisers hebben geen eigen auto en kunnen dus geen vast kenteken opgeven om in aanmerking te komen voor de ontheffing. Zij maken gebruik van huur- of deelauto’s of carpoolen met mensen van buiten de wijk. Eisers hebben inmiddels wel een ontheffing voor huur- en deelauto’s gekregen, maar moeten bij de gemeente telkens het kenteken van de huur- of deelauto doorgeven voordat zij over de Griftdijk mogen rijden. In de praktijk levert dit problemen op en eisers vinden daarom dat hun belangen niet voldoende zijn betrokken bij het verkeersbesluit.
1.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben vervolgens op het verweerschrift gereageerd.
1.4.
De rechtbank Gelderland heeft het beroep ter behandeling doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland vanwege de werkzaamheden van eiser voor de rechtbank Gelderland. De rechtbank heeft het beroep van eisers op 3 november 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van het college.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en zal hierna toelichten waarom.
Procesbelang
3. Het college heeft betoogd dat eisers geen procesbelang hebben, omdat hun gronden vooral gaan over het ontheffingenbeleid dat geen onderdeel uitmaakt van het verkeersbesluit. De rechtbank volgt het college niet in dit standpunt. Eisers komen op tegen het bestreden besluit waarin hun bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Zij hebben belang bij de beoordeling of dit terecht is gebeurd. Pas als geoordeeld zou worden dat zij wel als belanghebbenden hadden moeten worden aangemerkt, komen de inhoudelijke gronden aan de orde. Dat is nu (nog) niet het geval.
Belanghebbende bij het verkeersbesluit?
4. De rechtbank ziet dat het college bij het nemen van het verkeersbesluit het belang van de wijkbewoners heeft betrokken. Er is aandacht geweest voor het realiseren van een bewonersvriendelijke wegafsluiting. In het verkeersbesluit is in dat kader verwezen naar het beleid voor ontheffingen dat al bestaat. Het college heeft toegelicht dat dat beleid er is om de eventuele onevenredige gevolgen van een verkeersbesluit te ondervangen. De rechtbank begrijpt daaruit dat het college naar de ontheffingsmogelijkheid heeft verwezen in het kader van een zorgvuldige belangenafweging in de zin van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat in het verkeersbesluit is verwezen naar dit beleid, betekent niet dat dit beleid ook onderdeel uitmaakt van het verkeersbesluit. Het verkeersbesluit en het ontheffingenbeleid zijn naast elkaar bestaande juridische constructen. Zij zijn wel van belang voor elkaar; het bestaan van het ontheffingenbeleid is van belang voor de belangenafweging bij de totstandkoming van het verkeersbesluit en andersom maakt het bestaan van het verkeersbesluit dat betrokkenen een beroep kunnen doen op het ontheffingenbeleid. Maar de omstandigheid dat het college ten behoeve van een zorgvuldige en inzichtelijke belangenafweging heeft verwezen naar het ontheffingenbeleid en heeft overwogen dat de wijkbewoners daar een beroep op kunnen doen, maakt niet dat alle wijkbewoners ook belanghebbenden zijn bij het verkeersbesluit en daartegen kunnen opkomen. Dat is een ander vraagstuk en kent ook een ander toetsingskader.
5. De rechtbank verwijst daarvoor naar de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaruit blijkt dat met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing is beoogd ten aanzien van de mogelijkheid om tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. [1] Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor iedereen. Bij verkeersbesluiten moet dan ook van geval tot geval worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij zo’n besluit zijn betrokken.
Eigenaren of gebruikers van woningen of bedrijven die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van de gewijzigde verkeerssituatie, zijn in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Daarbij geldt dat de feitelijke gevolgen van enige betekenis moeten zijn. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de Afdeling naar de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen. Degene die zijn of haar belang ontleent aan het gebruik van de weg, is slechts belanghebbende bij een verkeersbesluit als hij of zij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, en dat belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. [2]
6. Het belang dat eisers naar voren brengen, heeft er vooral mee te maken dat zij vaak moeten omrijden. Die omstandigheid is echter niet genoeg om iemand als belanghebbende aan te merken bij een verkeersbesluit, want dat geldt voor iedereen die gebruik maakt van de weg. Dat is vaste rechtspraak. Eisers onderscheiden zich daarmee niet van andere weggebruikers. Dat geldt ook voor het feit dat eisers niet meer kunnen carpoolen met mensen die niet uit de wijk en het ontheffingengebied afkomstig zijn. Ook anderen die carpoolen, worden immers geconfronteerd met omrijdtijd als de bestuurder van de carpoolauto geen ontheffing heeft.
7. Eisers hebben verder naar voren gebracht dat het in hun geval heel ingewikkeld is om gebruik te kunnen maken van de ontheffingsmogelijkheid voor huur- en deelauto’s. Deze argumenten zien op het ontheffingenbeleid en de uitvoering daarvan. Zoals gezegd maakt het ontheffingenbeleid geen onderdeel uit van het verkeersbesluit. Ook deze door eisers gestelde omstandigheden maken dan ook niet dat eisers een individueel of bijzonder belang hebben bij het verkeersbesluit. Daarom gaat de rechtbank hier niet verder op in.
8. Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank geen individueel belang gesteld dat zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. Het college heeft eisers dan ook terecht niet als belanghebbende bij het verkeersbesluit aangemerkt.
Bevoegdheid besluit
9. Eisers hebben verder naar voren gebracht dat niet het college, maar de raad van de gemeente Nijmegen bevoegd was om het primaire besluit te nemen, omdat het volgens hen gaat om de onttrekking van een weg aan de openbaarheid. Volgens eisers volgt uit de Wegenwet dat alleen de gemeenteraad tot onttrekking van een weg aan de openbaarheid kan besluiten. De rechtbank komt niet aan de bespreking van deze beroepsgrond toe, omdat het bestreden besluit alleen gaat over de vraag of eisers ontvangen kunnen worden in hun bezwaar. Pas als dat het geval is, kunnen inhoudelijke gronden aan de orde komen. Gelet op het oordeel van de rechtbank dat het college eisers terecht niet als belanghebbenden heeft ontvangen in hun bezwaar, kan dat nu niet.

Fair play

10. Eisers hebben aangevoerd dat hun bezwaar niet kennelijk niet-ontvankelijk was. Zij hebben op de zitting uitgelegd dat zij vinden dat niet evident was dat zij geen belanghebbenden waren. Dat had er volgens hen toe moeten leiden dat het college hen het voordeel van de twijfel had gegeven om vervolgens hun bezwaren inhoudelijk te beoordelen. Door dit niet te doen heeft het college het ‘fair play’- beginsel geschonden, volgens eisers.
10. De rechtbank volgt eisers hierin niet. De vraag of eisers belanghebbenden zijn, is een vraag van openbare orde. Dat wil zeggen dat het bestuursorgaan hier zelf naar moet kijken, voordat het inhoudelijk op het bezwaar kan beslissen. Als eisers geen belanghebbenden zijn, dan is er geen rechtsregel die het bestuursorgaan ertoe verplicht om toch inhoudelijk naar de gronden van het bezwaar te kijken. Er is dus ook geen sprake van strijd met het ‘fair play’- beginsel.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk is verklaard en niet inhoudelijk is behandeld. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten en krijgen het griffierecht niet terug.
12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025 door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3908 en 27 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4053).