ECLI:NL:RBMNE:2025:6612

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/16/596849 / JE RK 25-1126
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige na zorgwekkende situatie en gebrek aan hulpverlening

In deze zaak heeft de kinderrechter op 24 november 2025 een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [minderjarige]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat sinds de uithuisplaatsing, die plaatsvond op 17 juli 2025, er nauwelijks hulp is geboden aan [minderjarige] en haar ouders. De situatie is verslechterd, en de relatie tussen [minderjarige] en haar ouders is verder aangetast. De kinderrechter heeft de ouders en de gecertificeerde instelling (GI) betrokken bij de beoordeling van de situatie. De vader en moeder hebben verschillende standpunten over de terugplaatsing van [minderjarige]. De vader is voor terugplaatsing, terwijl de moeder twijfels heeft vanwege het gebrek aan hulpverlening. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de kans op verbetering groter is bij terugplaatsing, ondanks de risico's. De machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd tot 1 februari 2026, met de mogelijkheid voor hulpverlening en een plan voor terugplaatsing. De kinderrechter heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/596849 / JE RK 25-1126
Datum uitspraak: 24 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Voor het procesverloop tot 1 augustus 2025 verwijst de kinderrechter naar de beschikking van die datum. Bij die beschikking is [minderjarige] definitief onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar en is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 1 december 2025, waarbij het overige deel van het verzoek over de uithuisplaatsing is aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 1 augustus 2025;
  • de brief van de GI over het aangehouden deel, ontvangen op 24 oktober 2025;
  • de stand van zaken van de GI, ontvangen op 31 oktober 2025;
  • de brief van de moeder met bijlagen, ontvangen op 17 november 2025.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [persoon 1] en [persoon 2] , vertegenwoordigers van de GI.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
Aan het einde van de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van deze beslissing.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds 17 juli 2025 bij [instelling] .
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 mei 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 augustus 2025. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen. Bij beschikking van 26 mei 2025 is de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 16 augustus 2025.
2.4.
Bij beschikking van 1 augustus 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, dus tot 1 augustus 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 1 december 2025. De kinderrechter heeft daarbij het overige deel van het verzoek aangehouden.

3.Het verzoek

De kinderrechter moet nog beslissen op het aangehouden deel van het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 1 augustus 2026. De GI verzoekt om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De vader is niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De vader wil dat [minderjarige] bij hem komt wonen, zodat er vanuit daar hulpverlening kan worden ingezet.
4.2.
De moeder wil enerzijds graag dat [minderjarige] (bij haar) thuis komt wonen. Anderzijds ziet zij dat er nog niks veranderd is nu er nog geen hulpverlening is gestart en maakt zij zich zorgen over een terugplaatsing.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twee maanden, dus tot 1 februari 2026, en wijst het overige deel van het verzoek af. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.2.
In de beschikking van 26 mei 2025 constateerde de kinderrechter dat er nog geen hulpverlening was ingezet. De ouders maakten zich grote zorgen omdat [minderjarige] veel op haar kamer zat. De kinderrechter overwoog dat het belangrijk was dat er nu grondig naar [minderjarige] zou worden gekeken zodat de juiste hulpverlening kon worden ingezet en de situatie stabiel zou worden en blijven. Om die reden moest er volgens de kinderrechter zo snel mogelijk hulp ingezet worden.
5.3.
In het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de GI van 17 juli 2025 schrijft de GI onder andere: “in de komende periode zal Spoor030 intensieve gesprekken voeren met [minderjarige] om te onderzoeken welke specifieke behandeling en ondersteuning zij nodig heeft. Daarnaast zal er onderzocht worden welke mogelijkheden er zijn om ervoor te zorgen dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer teruggeplaatst kan worden bij haar moeder, mits dit veilig en in haar belang is.”
In de beschikking van de kinderrechter van 1 augustus 2025 overweegt de kinderrechter dat er een plan van aanpak moet komen en dat hulp voor [minderjarige] noodzakelijk is.
5.4.
Nu, ruim een half jaar na de (spoed)uithuisplaatsing van [minderjarige] , is er nog steeds geen duidelijk plan en is er nog steeds geen structurele hulp voor [minderjarige] en voor haar ouders. Tijdens de zitting op 17 juli 2025 was een vervanger van de jeugdbeschermer aanwezig vanwege vakantie. Die kon niet op alle vragen van de kinderrechter antwoord geven. Op 1 oktober 2025 is een nieuwe jeugdbeschermer begonnen omdat de eerste jeugdbeschermer langdurig afwezig was. Om die reden heeft Spoor030 een meer afwachtende houding aangenomen, in afwachting van een duidelijke richting van de GI. Op 24 oktober heeft een gesprek plaatsgevonden met de GI, Spoor030 en de ouders. Hieruit is voortgekomen dat Spoor030 op korte termijn zal beginnen met (herstel)gesprekken tussen ouders en [minderjarige] . Verder is daar het traject FAST van de Waag besproken, dat passend lijkt te zijn. Hiervoor is het gezin op de wachtlijst geplaatst.
5.5.
Het voorgaande betekent dat [minderjarige] al ruim een half jaar wordt beperkt in rechten die zij als kind heeft op grond van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Te denken valt aan het recht niet van haar ouders gescheiden te worden tegen haar wil (artikel 9), haar recht op privéleven (artikel 16) en deelname aan sociale activiteiten (artikel 31). Tegelijkertijd krijgt [minderjarige] niet de hulp die noodzakelijk is om weer thuis te kunnen wonen. [minderjarige] heeft recht op die hulp. De kans op een geslaagde terugplaatsing is bovendien groter naarmate er meer hulp wordt aangeboden aan de minderjarige en aan de ouders. [1]
5.6.
Intussen gaat het met [minderjarige] niet beter, integendeel. Ook de relatie tussen [minderjarige] en de ouders is slechter geworden. Tijdens de zitting was een vervanger van de jeugdbeschermer aanwezig. Die vertelde dat toewerken naar terugplaatsing het doel is. Zij kon echter niet duidelijk vertellen wat nu de concrete plannen zijn om daaraan te werken, wat de planning daarvan is en wat maakt dat het verzoek is om de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 augustus 2026 te verlengen. Uit de brief die de nieuwe jeugdbeschermer voorafgaand aan de zitting stuurde aan de rechtbank blijkt dat zij nog zoekende is. Zij schrijft bijvoorbeeld dat het haar niet duidelijk is in hoeverre er duidelijke regels, afspraken en structuur zijn bij Kompas, waar [minderjarige] verblijft.
5.7.
Aan de andere kant heeft de vader zelf intensieve hulp bij de Waag en kan FAST snel beginnen. De vader wil graag dat [minderjarige] voorlopig grotendeels bij hem zal verblijven. De vader realiseert zich dat dat veel van hem zal vragen en dat FAST een lang en intensief traject is. De kinderrechter ziet dat het niet zonder risico’s is als [minderjarige] weer thuis gaat wonen. Haar gedrag was immers voor de uithuisplaatsing zeer zorgwekkend en vanwege het uitblijven van hulp is er geen aanleiding om aan te nemen dat [minderjarige] zich ineens heel anders zal gaan gedragen. Tegelijkertijd is de kinderrechter het eens met de ouders dat de uithuisplaatsing tot nu toe nog niks heeft opgeleverd door het gebrek aan continuïteit bij de GI en de verschillende instanties die (mede daardoor) op elkaar lijken te wachten. Dat bij de laatste twee zittingen vervangers van de (oude en nieuwe) jeugdbeschermer aanwezig waren is daarbij ook niet helpend. De kinderrechter hecht eraan op te merken dat dit niet een verwijt is aan de individuele jeugdbeschermers. Zij doen wat ze kunnen en hebben net als iedereen vakanties, vrije dagen en helaas ook uitval. Voor de ouders, die hun dochter zien afglijden en schreeuwen om hulp, is dat echter moeilijk te verteren. En het zijn de ouders bij wie het perspectief van [minderjarige] ligt. Het is dus van groot belang om hen ‘aan boord’ te houden. Alles afwegend is de kinderrechter van oordeel dat de kans op daadwerkelijke hulp en een opgaande lijn in de ontwikkeling van [minderjarige] groter is bij een terugplaatsing. Dat kan niet van de ene op de andere dag. De kinderrechter zal daarom bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor twee maanden, het overige wijst zij af. In die maanden kan FAST vanuit Kompas starten en kan een plan worden gemaakt voor terugplaatsing. De kinderrechter merkt daarbij op dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder had, terwijl tijdens de zitting ook de optie van (hoofdzakelijk) verblijf bij de vader is besproken. Dat aspect zal de GI moeten betrekken bij het plan, ook om te beoordelen wat allemaal nodig is, praktisch en formeel.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Kindbrief
5.9.
Tot slot vindt de kinderrechter het belangrijk om te laten weten dat aan [minderjarige] tegelijkertijd met de beschikking een brief is gestuurd, waarin de beslissing is uitgelegd. In deze brief is het volgende opgenomen:
“Beste [minderjarige] ,
Een paar weken geleden spraken wij elkaar bij de rechtbank. Het was maar kort, maar je hebt mij toch duidelijk verteld wat jij wil.
Je hebt inmiddels gehoord dat ik heb besloten dat je nog tot uiterlijk 1 februari 2026 uit huis geplaatst blijft. Daarna ga je naar huis. Ik vond dat best een spannende beslissing. Want ik maak me eigenlijk nog best veel zorgen om je, vanwege alles wat er is gebeurd voordat je in mei uit huis geplaatst werd. En er is nog niet zoveel veranderd. Maar ik zie ook dat de uithuisplaatsing jou nu niet veel verder helpt. Ik denk dat de kans dat het beter zal gaan groter is als je weer thuis woont.
Jouw ouders willen zich daar allebei voor inzetten, hebben ze mij beloofd. Maar dat is niet genoeg. We hebben jou echt nodig [minderjarige] , om de dingen beter voor jou te maken.Er is een gezegde: wie doet wat ie deed, krijgt wat ie kreeg. Als jij de dingen niet anders gaat doen dan voor je uithuisplaatsing, dan maak ik me zorgen of het thuis goed zal gaan. Daarom hoop ik echt heel erg dat je de knop om kunt zetten en – ook al heb je daar echt geen zin in – toch aan de slag zult gaan met de hulp die er komt voor jou en je ouders. Alleen als iedereen, ook jij, de schouders eronder zet kan het allemaal wat makkelijker worden. En dat is wat iedereen, ook ik, jou erg gunt.
Kortom: aan de bak, [minderjarige] ! Zet hem op!
Met vriendelijke groet,
Tessa Dopheide (kinderrechter)”

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 februari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het overige deel van het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025 door mr. T. Dopheide, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F. Elsendoorn als griffier, en op schrift gesteld op 8 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.M.R. Bruning e.a., Terugplaatsing na gedwongen uithuisplaatsing, Den Haag: WODC 2025.