ECLI:NL:RBMNE:2025:6706

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/3609
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens te late indiening

Eiser kreeg op 5 februari 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij op 21 januari 2025 zonder betaling parkeerde. Na bezwaar bleef de heffingsambtenaar bij zijn besluit. Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, maar dit beroepschrift werd pas op 10 juni 2025 ingediend, terwijl de termijn eindigde op 9 mei 2025.

De rechtbank beoordeelde ambtshalve de tijdigheid van het beroep. Eiser voerde ziekte en vakantie aan als reden voor de late indiening. De heffingsambtenaar stelde dat eiser op 9 mei 2025 telefonisch contact had en aangaf beroep te zullen instellen na vakantie. De rechtbank concludeerde dat eiser op die datum bekend was met het besluit en de intentie tot beroep, en dat hij op die dag nog tijdig digitaal beroep had kunnen instellen.

Omdat eiser het beroep pas een maand later indiende zonder geldige reden, oordeelde de rechtbank dat er geen verschoonbare termijnoverschrijding was. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard, zonder inhoudelijke beoordeling. Eiser krijgt geen griffierecht terug en ook geen proceskostenvergoeding. Het verzoek om schadevergoeding werd niet behandeld.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3609

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht
(gemachtigde: mr. W.G. Vos).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de heffingsambtenaar terecht aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Eiser is het niet eens met de naheffingsaanslag en heeft daarom beroep ingesteld bij de rechtbank. Voordat de rechtbank de zaak inhoudelijk kan beoordelen, moet de rechtbank onder andere ambtshalve beoordelen of eiser tijdig beroep heeft ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser zijn beroepschrift niet tijdig heeft ingediend en dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank komt daarom niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beroepschrift. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Aan eiser is met het besluit van 5 februari 2025 een naheffingsaanslag opgelegd omdat eiser op 21 januari 2025 om 10.03 uur met het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd stond aan de Eendrachtlaan in Utrecht zonder dat parkeerbelasting op aangifte was voldaan. Eiser heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag. Met de uitspraak op bezwaar van 24 maart 2025 is de heffingsambtenaar bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft gereageerd op het verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroepschrift tijdig ingediend?
3. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. [2] Het beroepschrift dient voor het einde van de termijn te zijn ontvangen. [3] De uitspraak op bezwaar dateert van 24 maart 2025 en is op 28 maart 2025 verzonden. De termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigt daarmee op 9 mei 2025. Dit betekent dat eiser het beroepschrift uiterlijk op 9 mei 2025 had moeten indienen. Eiser heeft op 10 juni 2025 digitaal zijn beroepschrift ingediend. Dit is te laat. De hoofdregel is dat de rechtbank het beroep dan niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen, een verschoonbare termijnoverschrijding. [4] Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen. Deze beoordeling vraagt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering. [5] Is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding?
4. Eiser voert aan dat hij na ontvangst van het bestreden besluit meerdere weken ziek is geweest, waarna hij aansluitend twee weken met vooraf geboekte vakantie is geweest. Hierdoor is hij er niet toe gekomen om het beroepschrift binnen de wettelijke termijn in te dienen.
4.1 De heffingsambtenaar voert aan dat eiser op 9 mei 2025 om 11.58 uur telefonisch contact heeft opgenomen met een medewerker naar aanleiding van een ontvangen betalingsherinnering. Eiser gaf in dit gesprek aan dat hij de boete nog niet gaat betalen, want hij gaat in beroep wanneer hij terug is van vakantie.
4.2
De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat hij op 9 mei 2025 contact heeft gehad met (een medewerker van) de heffingsambtenaar en in dat gesprek heeft aangegeven dat hij beroep wilde indienen. De rechtbank overweegt dat eiser dus op 9 mei 2025 bekend was met het bestreden besluit en op die datum ook wist dat hij beroep ging instellen. De ziekte van eiser verhinderde hem hiertoe niet op 9 mei 2025. Op 9 mei 2025 was nog geen sprake van een termijnoverschrijding. Eiser had die dag (digitaal en pro forma) beroep kunnen instellen bij de rechtbank. Het beroep zou dan tijdig zijn ingesteld. Eiser heeft echter pas op 10 juni 2025 beroep ingesteld. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een duidelijke verhindering waardoor het beroep niet tijdig is ingediend. Het niet op tijd indienen van het beroep kan aan eiser worden toegerekend waardoor het te laat indienen van het beroep niet verschoonbaar is.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Evenmin komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Artikel 6:9 eerste Pro lid, van de Awb.
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Dit volgt uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31