Eiser kreeg op 5 februari 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij op 21 januari 2025 zonder betaling parkeerde. Na bezwaar bleef de heffingsambtenaar bij zijn besluit. Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, maar dit beroepschrift werd pas op 10 juni 2025 ingediend, terwijl de termijn eindigde op 9 mei 2025.
De rechtbank beoordeelde ambtshalve de tijdigheid van het beroep. Eiser voerde ziekte en vakantie aan als reden voor de late indiening. De heffingsambtenaar stelde dat eiser op 9 mei 2025 telefonisch contact had en aangaf beroep te zullen instellen na vakantie. De rechtbank concludeerde dat eiser op die datum bekend was met het besluit en de intentie tot beroep, en dat hij op die dag nog tijdig digitaal beroep had kunnen instellen.
Omdat eiser het beroep pas een maand later indiende zonder geldige reden, oordeelde de rechtbank dat er geen verschoonbare termijnoverschrijding was. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard, zonder inhoudelijke beoordeling. Eiser krijgt geen griffierecht terug en ook geen proceskostenvergoeding. Het verzoek om schadevergoeding werd niet behandeld.