Sinds 2020 werkt de werknemer op basis van een schriftelijke afspraak grotendeels vanuit Ecuador, waar hij met zijn gezin woont. Werkgever heeft in 2023 een nieuw workation-beleid ingevoerd dat langere periodes werken vanuit het buitenland niet wenselijk acht en wil dat werknemer weer vanuit Nederland gaat werken. Werknemer verzoekt de continuering van de bestaande werkregeling.
De kantonrechter stelt vast dat de afspraak over het werken vanuit Ecuador door de jaren heen een arbeidsvoorwaarde is geworden, mede doordat werkgever jarenlang zonder bezwaar deze regeling heeft gefaciliteerd en werknemer zijn werkzaamheden naar tevredenheid verrichtte. Het nieuwe beleid van werkgever kan deze arbeidsvoorwaarde niet eenzijdig wijzigen.
De belangenafweging toont dat het zwaarwegende belang van werknemer bij continuering van de regeling groter is dan het belang van werkgever bij wijziging. Werkgever heeft onvoldoende maatwerk geleverd en het tegenverzoek tot wijziging van de arbeidsvoorwaarde wordt afgewezen.
De kantonrechter verklaart voor recht dat werkgever de internationale werkregeling met werknemer dient te continueren zoals tot nu toe uitgevoerd en veroordeelt werkgever in de proceskosten. Het verzoek tot vergoeding van werkelijke proceskosten wordt afgewezen wegens onvoldoende grond.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de procedure toont het belang van zorgvuldige belangenafweging bij wijziging van arbeidsvoorwaarden.