ECLI:NL:RBMNE:2025:6784

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/2270
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering en geschiktheid van geduide functies

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland op 19 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de weigering van haar WIA-uitkering door het UWV behandeld. Eiseres, die gemiddeld 25,98 uur per week werkte, had zich op 17 september 2020 ziekgemeld en een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Het UWV weigerde deze aanvraag op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Eiseres was het niet eens met deze beslissing en voerde verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht had besloten, en dat de medische rapporten zorgvuldig waren opgesteld zonder tegenstrijdigheden. Eiseres had geen toestemming gegeven voor het delen van haar medische gegevens met een derde partij, wat de rechtbank in acht nam bij de beoordeling. De rechtbank concludeerde dat de geduide functies door het UWV passend waren en dat de beroepsgronden van eiseres niet slaagden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar bepaalde wel dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht moest vergoeden en veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van medische onderbouwing in zaken van arbeidsongeschiktheid en de rol van het UWV in het vaststellen van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2270

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(hierna: het UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. S.N. Westmaas-Kanhai).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[onderwijsinstelling]uit [plaats 2] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres werkte gemiddeld 25,98 uur per week als [functie] en zij heeft zich op 17 september 2020 ziekgemeld. Eiseres heeft vervolgens een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek de aanvraag geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is, namelijk 23,50%. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 21 juli 2023 (het primaire besluit) afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 21 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Geheimhouding medische gegevens
3. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om haar medische informatie te delen met de derde-partij. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over medische gegevens om zo te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt. Op sommige plekken is het noemen van medische gegevens echter noodzakelijk voor de begrijpelijkheid van de uitspraak.
Toetsingskader
4. Bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak van eiseres stelt de rechtbank voorop dat het UWV besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
- op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
- geen tegenstrijdigheden bevatten; en
- voldoende begrijpelijk zijn.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet de eisende partij dan wel aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de medische rapporten niet aan de genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om echter voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of een medisch behandelaar noodzakelijk. Dat betekent dat hoe eiseres zich zelf voelt, zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
Had het UWV het document ‘Beoordeling re-integratieverslag’ bij het dossier moeten voegen?
4.1.
Eiseres heeft op de zitting het document ‘Beoordeling re-integratieverslag’ van 13 juli 2023 overgelegd. Eiseres stelt dat dit stuk ontbreekt in de door het UWV overgelegde stukken. Dit verslag maakt volgens eiseres onderdeel uit van de bezwaarprocedure omdat er naar wordt verwezen. Eiseres stelt dat het UWV niet aan haar verplichtingen heeft voldaan om elk op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen en vraagt de rechtbank daaraan de gevolgen te verbinden die zij geraden acht.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het op weg van eiseres had gelegen om dit document in te brengen, aangezien zij aanvoert dat dit document tot een andere beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep had moeten leiden. Anders dan eiseres betoogt, was het UVW dus niet gehouden het document over te leggen. Het UWV is gehouden om alle stukken in te brengen die nodig zijn om te kunnen beoordelen of het UWV terecht de WIA uitkering van eiseres heeft geweigerd. Uit de overgelegde stukken blijkt op welke ingebrachte informatie van de behandelaars de besluitvorming is gebaseerd. Deze informatie is ook in beroep ingebracht. Het rapport waar eiseres op wijst, is opgesteld in het kader van de beoordeling van een verzoek tot bekorting van een loonsanctie. Het UWV heeft het bestreden besluiten niet gebaseerd op het aangedragen document. Hoewel de rechtbank dit rapport heeft gelezen en betrokken bij zijn oordeel, is het dus niet zo dat het UWV was gehouden dit rapport over te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is eiseres meer beperkt dan het UWV heeft aangenomen?
5. Eiseres stelt meer beperkt te zijn dan het UWV heeft aangenomen. Eiseres stelt dat de bedrijfsarts meer beperkingen heeft aangenomen in zijn inzetbaarheidsprofiel (IZP) dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiseres kan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet volgen dat bij de conclusie van de primaire verzekeringsarts wordt aangesloten in plaats van bij de beoordeling van de bedrijfsarts. Eiseres stelt daarnaast dat de beoordeling van verzekeringsarts bezwaar en beroep 18 maanden na datum in geding is geweest en de beoordeling van de bedrijfsarts veel dichter op de datum in geding. Daarom moet meer gewicht worden gegeven aan het IZP van de bedrijfsarts.
5.1.
Het UWV stelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperking juist heeft vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt in zijn rapport van 15 januari 2025 tot de conclusie dat er geen medische argumenten zijn om de door de primaire verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te passen en neemt de beperkingen van de primaire verzekeringsarts integraal en gemotiveerd over. De verzekeringsarts bezwaar en beroep licht in zijn aanvullende rapport van 12 juni 2025 toe dat het te verklaren is dat de beoordeling van de bedrijfsarts andersluidend is dan de beoordeling van de verzekeringsartsen doordat de beoordelingen een ander wettelijk kader hebben. De bedrijfsarts gaat over de belastbaarheid die in het kader van de re-integratie wordt vastgesteld in een IZP. De verzekeringsartsen gaan over het invullen van het CBBS-systeem door het opstellen van de FML in het kader van de WIA-beoordeling. De verzekeringsarts die de RIV-toetsing deed, kon zich vinden in de sociaal-medische begeleiding (inclusief de door de bedrijfsarts aangegeven belastbaarheid). Dit betekent niet dat volgens die verzekeringsarts deze belastbaarheid in het kader van de WIA-beoordeling dient te worden overgenomen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op overtuigende wijze heeft toegelicht in hoeverre eiser belast kan worden met werk. De omstandigheid dat de bedrijfsarts andere beperkingen heeft aangenomen is geen reden om te twijfelen aan de medische conclusies. Een door de bedrijfsarts opgesteld IZP, zoals opgenomen in het door eiseres ingebrachte rapport van 13 juli 2023, is bedoeld om de re-integratiemogelijkheden van de betrokkene in kaart te brengen en heeft een ander doel dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Gelet hierop kan, anders dan eiseres heeft betoogd, aan het verschil tussen het oordeel van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts niet de waarde worden toegekend die eiseres daaraan toegekend wil zien. [1] . De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de geduide functies passend?
6. Eiseres stelt dat de door de arbeidskundige bezwaar en beroep geduide functies niet passend zijn en dat niet is ingegaan op haar bezwaargronden over de geduide functies. Eiseres stelt daarnaast dat er niet genoeg arbeidsplaatsen overblijven voor de functies van media operator en dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de beroepsfase geen nieuwe functies aan het besluit ten grondslag mag leggen.
6.1.
De arbeidskundige bezwaar en beroep is in zijn aanvullende rapport van 3 juli 2025 alsnog inhoudelijk ingegaan op de in bezwaar aangevoerde gronden ten aanzien van de passendheid van de eerder geduide functies. Dit heeft ertoe geleid dat één van de door eiseres betwiste functies bij nader inzien niet passend is geacht en dat een andere gelijksoortige functie is geduid. Door die wijziging is het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd van 23,50% naar 22,18%, dus onverminderd minder dan 35%.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak het bijduiden van functies bij een beoordeling in aansluiting op het einde van de wachttijd onder de wet WIA is toegestaan. [2] Verder is de rechtbank van oordeel dat de gebrekkige motivering van de arbeidsdeskundige kant van het bestreden besluit met de wijziging van één van de geduide functies voldoende is aangevuld. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet is benadeeld door dit motiveringsgebrek. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft. De rechtbank zal het motiveringsgebrek in het bestreden besluit daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit niet zal vernietigen om die reden.

Conclusie en gevolgen

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht geweigerd eiseres een WIA-uitkering toe te kennen. Met de aanvullende motivering in beroep heeft het UWV namelijk voldoende onderbouwd dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering per 21 juli 2023, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het beroep is ongegrond.
7.1.
Gelet op wat onder 6.2 is overwogen, ziet de rechtbank wel aanleiding om te bepalen dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt. Om dezelfde reden veroordeelt de rechtbank het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskostenvergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt het UWV op het betaalde griffierecht tot €53,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.814,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van 5 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:266.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2173, r.o.4.3.