ECLI:NL:CRVB:2020:266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 17 augustus 2016
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaker/voedingsassistent, werd door het UWV per 17 augustus 2016 niet toegekend tot een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De verzekeringsarts stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met beperkingen, waarop de arbeidsdeskundige functies selecteerde die appellante nog kon vervullen.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat haar beperkingen, waaronder mictieklachten, tillen en dragen, en een recidiverende depressie, onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek en de rapporten van de verzekeringsarts juist waren en dat geen urenbeperking op de datum in geding behoorde te gelden.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad concludeerde dat de medische situatie van appellante op de datum in kwestie niet zodanig was dat een urenbeperking gerechtvaardigd was. De verschillen tussen het oordeel van de bedrijfsarts en verzekeringsarts werden verklaard door hun verschillende doelen. De geselecteerde functies zijn passend en de mate van arbeidsongeschiktheid blijft onder de 35%. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering per 17 augustus 2016 wordt bevestigd.