ECLI:NL:RBMNE:2025:6787

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/3477 en UTR 25/3478
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering Wajong-uitkering en toeslag door het Uwv wegens niet gemelde inkomsten

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld over de terugvordering van een te veel betaalde Wajong-uitkering en toeslag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Eiseres, die sinds 25 augustus 2004 een Wajong-uitkering ontvangt, heeft in de periode van 23 juni 2021 tot en met heden inkomsten ontvangen uit een persoonsgebonden budget (pgb) die zij niet heeft gemeld. Het Uwv heeft na onderzoek vastgesteld dat eiseres in totaal € 41.678,03 te veel heeft ontvangen en heeft besloten tot terugvordering. Eiseres betwistte de terugvordering en voerde aan dat er dringende redenen waren om hiervan af te zien, omdat zij niet op de hoogte was van de meldplicht en de terugvordering haar in een onmogelijke financiële situatie zou brengen. De rechtbank oordeelde echter dat het Uwv terecht tot terugvordering is overgegaan, omdat eiseres zelf verantwoordelijk was voor het niet melden van de inkomsten. De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van dringende redenen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/3477 en UTR 25/3478

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. Cortet),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Grasmeijer).

Samenvatting

1. Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv terecht tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en toeslag op de Wajong-uitkering van eiseres is overgegaan in verband met niet gemelde inkomsten. Volgens eiseres zijn er dringende redenen om af te zien van terugvordering mede gelet op het feit dat geen sprake was van schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2. Aan eiseres is met ingang van 25 augustus 2004 een Wajong-uitkering toegekend, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is gebaseerd op 80-100%.
2.1.
Het Uwv heeft op basis van een interne melding onderzoek ingesteld naar onder meer de inkomstenverhoudingen van eiseres. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het Onderzoeksrapport Handhaving Inspectie van 31 juli 2024. In dit rapport is geconcludeerd dat eiseres in de periode van 23 juni 2021 tot en met ‘heden’ inkomsten heeft ontvangen uit een persoonsgebonden budget in de vorm van opting-in (pgb-budget). Dit heeft eiseres niet gemeld bij het Uwv.
2.2.
Met vier afzonderlijke besluiten van 20 september 2024 (het primaire besluit I, II, III en IV) heeft het Uwv de Wajong-uitkering van eiseres over de periode 23 juni 2021 tot en met 31 december 2023 definitief berekend en vastgesteld dat eiseres een totaalbedrag van € 41.678,03 bruto te veel heeft ontvangen. In het primaire besluit IV heeft het Uwv beslist dat eiseres het te veel ontvangen bedrag van € 3.387,15 over de periode van 23 juni 2021 tot en met 10 september 2021 niet hoeft terug te betalen. Eiseres moet een totaalbedrag van € 38.290,88 terugbetalen. Het beroep met zaaknummer UTR 25/3478 heeft betrekking op het bestreden besluit naar aanleiding van het bezwaar tegen de primaire besluiten I, II, III en IV.
2.3.
Met het vijfde besluit van 20 september 2024 (het primaire besluit V) heeft het Uwv de toeslag op de Wajong-uitkering van eiseres over de periode 19 december 2023 tot en met 31 december 2023 definitief berekend en vastgesteld dat zij € 276,99 te veel heeft ontvangen. Eiseres moet dit ook terugbetalen. Het beroep met zaaknummer UTR 25/3477 heeft betrekking op het bestreden besluit naar aanleiding van het bezwaar tegen het primaire besluit V.
2.4.
Met de bestreden besluiten van 25 april 2025 heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten I, II, III en V ongegrond verklaard (het bestreden besluit I en II).
2.5.
Met het afzonderlijke besluit van 25 april 2025 heeft het Uwv het bezwaar tegen het primaire besluit IV kennelijk ongegrond verklaard, omdat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over het feit dat eiseres het bedrag van € 3.387,15 niet hoeft terug te betalen.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft de beroepen behandeld op de zitting van 14 oktober 2025. Hieraan heeft de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordelingskader
3. Het Uwv is op grond van artikel 3.18 van de Wajong en artikel 11a van de Toeslagenwet in beginsel verplicht de te veel ontvangen Wajong-uitkering en toeslag van eiseres terug te vorderen. Dit is slechts anders indien sprake is van dringende redenen. In zijn uitspraak van 18 april 2024 heeft de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] , de uitleg van de dringende reden verruimd. De CRvB ziet het begrip dringende reden als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
3.1.
Voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal de bestuursrechter een herzienings- of terugvorderingsbesluit dat een dergelijke belangenafweging bevat, voortaan toetsen op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid, waarbij de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem van verplichte herziening en terugvordering, indien achteraf blijkt dat een recht op uitkering niet op de juiste wijze is vastgesteld.
3.2.
Voor de tekst van de relevante artikelen verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
De terugvordering in verband met ‘inkomsten’
4. Eiseres betwist dat de door de Sociale Verzekeringsbank ontvangen bedragen (het pgb-budget) niet als salaris moet worden aangemerkt, omdat deze betalingen zijn aangewend om in de bijzondere behoeften van haar zoon te voorzien. Daarbij geeft eiseres aan dat zij in de veronderstelling was dat haar partner – die de zorg aan hun zoon verleent – als budgethouder op de zorgovereenkomst geregistreerd stond, maar zij was niet op de hoogte dat de budgethouder degene is die hulp ontvangt. Verder voert eiseres aan dat de terugvorderingen ten onrechte zijn gebaseerd op brutobedragen in plaats van nettobedragen en dat het Uwv dit niet heeft gemotiveerd.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres ontvangen pgb-inkomsten in de in geding zijnde periodes als inkomen moeten worden aangemerkt. Deze inkomsten zijn namelijk aan te merken als belastbaar loon uit overige werkzaamheden als bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Verder blijkt ook uit ditzelfde artikel dat het Uwv bij het terugvorderen mag uitgaan van brutobedragen. Het Uwv heeft daarnaast uiteengezet dat en op welke wijze het brutobedrag uit de polisadministratie volgt. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB mag het Uwv in beginsel uitgaan van gegevens uit de polisadministratie, tenzij de betrokkene aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. [2] Dit heeft eiseres niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
Dat eiseres in de veronderstelling was dat haar partner als budgethouder geregistreerd stond, maakt hetgeen hiervoor is overwogen ook niet anders. Het is namelijk niet de budgethouder die pgb-budget ontvangt, maar de zorgverlener. In zoverre treft de beroepsgrond van eiseres dan ook geen doel. De rechtbank overweegt verder dat eiseres zelf staat vermeld als zorgverlener op de zorgovereenkomst. Zij ontving op haar eigen bankrekening ook het pgb-budget voor het verlenen van de zorg. Uit niets blijkt dat haar partner de zorg verleende of als budgethouder was geregistreerd. Eerder in de procedure heeft eiseres bovendien tegenover het Uwv bevestigd dat zij en niet haar partner de zorg verleende. De beroepsgrond slaagt niet.
Dringende reden
5. De rechtbank heeft – vanwege het ontbreken van een nadere toelichting op de beroepsgronden van eiseres op zitting – de volgende beroepsgronden opgevat in het kader van de dringende reden.
5.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij door de terugvorderingen onevenredig nadelig in haar belangen wordt geschaad. Door het niet uitbetalen van de Wajong-uitkering en het opleggen van meerdere terugvorderingen komt eiseres onder een disproportioneel hoge financiële druk te staan. Eiseres kan de situatie ook niet veranderen, omdat zij dit zou moeten doen met een nieuwe aanvraag. Dat zou volgens eiseres betekenen dat zij geen zorg kan inkopen, omdat er een nieuwe beoordeling zou moeten plaatsvinden. Eiseres bevindt zich dan ook in een onmogelijke situatie.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv in de situatie van eiseres zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de herziening en/of terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. Eiseres heeft ten onrechte niet doorgegeven dat zij een pgb-budget ontvangt. De herziening en terugvordering is dus geheel aan eiseres te wijten. Niet is gebleken dat het Uwv eerder bekend was met het genoten pgb-budget van eiseres. De rechtbank overweegt verder dat eiseres bij de invordering bescherming heeft van de beslagvrije voet, waardoor de financiële gevolgen van de terugvordering ook beperkt worden. Eiseres heeft dit erkend en bovendien heeft eiseres zelf verklaard dat zij zich financieel gezien redt als er een maatregel komt. In de door eiseres doorgevoerde wijzigingen op het gesprek van 31 juli 2024 staat:
“Wij hoeven als er een maatregel komt geen eindjes aan elkaar te knopen er is een bepaalde presentatie die ingehouden mag worden waardoor men zijn dagelijkse boodschappen en rekeningen kan betalen wij redden ons prima.”
5.3.
Op de zitting is tevens naar voren gekomen dat een betalingsregeling is getroffen van € 25,- per maand. Het is de rechtbank gelet hierop niet gebleken dat eiseres onder hoge financiële druk komt te staan. Eiseres heeft ook geen nadere stukken overlegd die haar standpunt verduidelijken of onderbouwen.
5.4.
Van een onevenredige uitkomst van de belangenafweging is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het Uwv heeft dus tot terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan Wajong-uitkering en de toeslag op de Wajong-uitkering kunnen besluiten.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage relevante regelgeving

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

Artikel 3:18. Intrekking of herziening beschikking

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen herziet beschikkingen op grond van dit hoofdstuk of trekt dergelijke beschikkingen in:
b.indien als gevolg van het niet nakomen van de artikelen 3:37, 3:38 of 3:74 en de daarop berustende bepalingen het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
2.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.

Artikel 3:74. Verplichting tot het verstrekken van inlichtingen

1.De jonggehandicapte, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in artikel 3:47, waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Toeslagenwet

Artikel 11a

1Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a.indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b.indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c.indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
2Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 12

1Degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Artikel 20

1De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
(…)
5Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten

Artikel 3:1. Toepassing hoofdstuk 3
Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van inkomen als bedoeld in de Werkloosheidswet, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Ziektewet.
Artikel 3:2 Inkomen AIB
1Onder inkomen wordt verstaan:
(…)
c.het belastbaar loon of het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van die wet, voor zover de uitkeringsgerechtigde geen werknemer is als bedoeld in de onderdelen a en b;

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2789.