Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €78,33 opgelegd op 13 april 2023, omdat hij meende dat hij geen redelijke termijn had gekregen om de parkeerbelasting te voldoen. Volgens eiser parkeerde hij om 22:57 uur, drie minuten voor het gratis parkeren inging, en was het te kort om naar de betaalautomaat te lopen en te betalen.
De heffingsambtenaar stelde dat de auto al eerder geparkeerd stond en dat er geen poging was gedaan om te betalen. Dit werd onderbouwd met foto’s van een scanauto, eerdere naheffingsaanslagen en een e-mail waarin werd bevestigd dat betalen bij de automaat te allen tijde mogelijk is.
De rechtbank oordeelde dat parkeerbelasting direct bij het parkeren verschuldigd is en dat een redelijke termijn om te betalen alleen geldt als de parkeerder daadwerkelijk bezig is met betalen. De rechtbank vond de verklaring van eiser niet aannemelijk en concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Het beroep werd ongegrond verklaard, eiser kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 12 december 2025.