In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar beoordeeld. De heffingsambtenaar had op 12 december 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 78,33 opgelegd aan eiser, omdat hij op 29 maart 2023 om 22:57 uur zijn auto had geparkeerd in een betaald parkeerzone zonder te betalen. Eiser stelde dat hij geen redelijke termijn had gekregen om de parkeerbelasting te voldoen, aangezien hij net voor 23:00 uur parkeerde, het moment waarop gratis parkeren inging. De rechtbank heeft de argumenten van eiser en de heffingsambtenaar tegen elkaar afgewogen. Eiser beweerde dat hij de intentie had om te betalen, maar de heffingsambtenaar stelde dat er geen bewijs was dat eiser daadwerkelijk had geprobeerd te betalen. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag had opgelegd, omdat de parkeerder een redelijke termijn moet krijgen om de parkeerbelasting te betalen, en dat deze termijn begint op het moment dat de auto wordt geparkeerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen gelijk kreeg en geen vergoeding voor proceskosten ontving.