ECLI:NL:RBMNE:2025:6825

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/1427
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de rechtmatigheid van een naheffingsaanslag parkeerbelasting en de redelijke termijn voor betaling

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar beoordeeld. De heffingsambtenaar had op 12 december 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 78,33 opgelegd aan eiser, omdat hij op 29 maart 2023 om 22:57 uur zijn auto had geparkeerd in een betaald parkeerzone zonder te betalen. Eiser stelde dat hij geen redelijke termijn had gekregen om de parkeerbelasting te voldoen, aangezien hij net voor 23:00 uur parkeerde, het moment waarop gratis parkeren inging. De rechtbank heeft de argumenten van eiser en de heffingsambtenaar tegen elkaar afgewogen. Eiser beweerde dat hij de intentie had om te betalen, maar de heffingsambtenaar stelde dat er geen bewijs was dat eiser daadwerkelijk had geprobeerd te betalen. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag had opgelegd, omdat de parkeerder een redelijke termijn moet krijgen om de parkeerbelasting te betalen, en dat deze termijn begint op het moment dat de auto wordt geparkeerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen gelijk kreeg en geen vergoeding voor proceskosten ontving.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1427

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] )
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)

Inleiding

1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 december 2023 (de bestreden uitspraak), waarbij de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting van 13 april 2023 voor een bedrag van € 78,33 is gehandhaafd.
2. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
3. De zaak is behandeld op de zitting van 29 oktober 2025. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Feiten

4. Op 29 maart 2023 om 22:57 uur heeft een scanauto vastgesteld dat de auto van eiser met kenteken [kenteken] geparkeerd stond op de Van der Goesstraat in Utrecht. Deze straat ligt in de zone waarvoor betaald parkeren geldt. Eiser heeft geen parkeerbelasting betaald. Daarom is aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 78,33.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Dat doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Zij is van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht tot naheffing is overgegaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
Is eiser een redelijke termijn gegund?
6.1
Eiser voert aan dat hem geen redelijke termijn is gegund om de parkeerbelasting te voldoen. Eiser stond om 22:57 uur net geparkeerd, drie minuten voordat het gratis parkeren in die zone inging (23:00 uur). Drie minuten is volgens eiser te krap om naar de betaalautomaat te lopen, zijn gegevens in te voeren en te betalen. Toen eiser bij de betaalautomaat aankwam, was betalen niet meer mogelijk. Eiser heeft de intentie gehad om te betalen en dat blijkt uit het feit dat hij naar de dichtstbijzijnde parkeerautomaat is gelopen. Het is volgens eiser aan de heffingsambtenaar om te onderbouwen dat eiser wel een redelijke termijn is gegund en om te onderbouwen dat eiser niet de intentie had om op tijd de parkeerbelasting te voldoen. [1] Daar voegt eiser aan toe dat het aannemelijk is dat het lopen naar een parkeerautomaat vijf minuten kan duren. [2]
6.2
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de auto van eiser al enige tijd geparkeerd stond en dat er geen poging is ondernomen om parkeerbelasting te betalen. Ten tijde van het maken van de foto’s door de scanauto is er niemand in de nabijheid van de auto waargenomen, terwijl één van de foto’s is gemaakt in de richting van de parkeerautomaat en daar ook niemand te zien was. Dat de auto van eiser al eerder dan 22:57 uur geparkeerd stond blijkt volgens de heffingsambtenaar ook uit het feit dat het voertuig in maart en april 2023 regelmatig in dezelfde straat door een scanauto is waargenomen tussen 21:48 en 22:57 uur, zonder dat aan de parkeerbelasting is voldaan. Daaruit blijkt volgens de heffingsambtenaar ook dat eiser geen enkele intentie toont om (voldoende) te betalen voor het parkeren. Hiertoe heeft de heffingsambtenaar een overzicht van eerder aan eiser opgelegde naheffingsaanslagen overgelegd. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het niet meer mogelijk was om te betalen na 23:00 uur, wijst de heffingsambtenaar erop dat bij elke parkeerautomaat te allen tijde kan worden betaald, ook buiten de venstertijden. Om dit standpunt te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een e-mailwisseling met een medewerker Beheerder Parkeervoorzieningen van de gemeente Utrecht overgelegd waarin wordt aangegeven dat aangifte doen bij een parkeerautomaat te allen tijde mogelijk is. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar ook nog aangevoerd dat het op de weg van eiser had gelegen om een foto van het scherm te maken waaruit zou blijken dat het op dat moment niet meer mogelijk was te betalen.
6.3
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Parkeerbelasting is direct bij aanvang van het parkeren verschuldigd, dus direct nadat de auto wordt geparkeerd. [3] Uit vaste rechtspraak volgt ook dat een parkeerder een redelijke termijn moeten worden gegund die nodig is om de parkeerapparatuur in werking te stellen. Die redelijke termijn begint direct nadat de auto wordt geparkeerd. [4] De parkeerder moet in die tijd wel bezig zijn om de parkeerbelasting te betalen (het zogenoemde onverwijld en onafgebroken verrichten van uitvoeringshandelingen). De heffingsambtenaar heeft met de overlegde foto van de straat richting de parkeerautomaat, de eerdere opgelegde naheffingsaanslagen en de toelichting op het feit dat betalen bij een parkeerautomaat te allen tijde mogelijk is, voldoende concreet gemaakt dat de verklaring van eiser niet kan kloppen en dat eiser zijn auto eerder heeft geparkeerd dan 22:57 uur.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 9 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4858.
2.Rechtbank Oost-Brabant 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:4013.
3.Dit volgt uit artikel 2, onderdeel a in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Verordening op de heffing en invordering van de parkeerbelasting 2023.
4.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9379.