ECLI:NL:RBMNE:2025:6916

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
598631
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eenhoofdig gezag en verwijzing naar Uniform Hulpaanbod in familierechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 18 november 2025 uitspraak gedaan in een familierechtelijke procedure tussen een vader en een moeder over het gezag en de zorgregeling voor hun minderjarige zoon. De vader verzocht de rechtbank om het gezag van de moeder te beëindigen, zodat hij alleen het gezag zou krijgen. Hij gaf aan dat de communicatie tussen de ouders problematisch was, wat het gezamenlijk nemen van beslissingen bemoeilijkte. Daarnaast vroeg hij om een regeling voor de zorg van hun zoon, waarbij hij de hoofdverblijfplaats bij hem wilde vaststellen en een kinderalimentatie van € 250,- per maand. De moeder had een tegenverzoek ingediend voor een andere zorgregeling.

Tijdens de mondelinge behandeling op 20 oktober 2025 is besproken dat de ouders samen hulp willen zoeken om hun communicatie te verbeteren. De rechtbank heeft besloten om de beslissing over de zorgregeling uit te stellen in afwachting van de uitkomst van het hulpverleningstraject. De rechtbank heeft de ouders doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod, omdat de Raad voor de Kinderbescherming adviseerde dat dit traject hen beter zou helpen dan mediation buiten een hulpverleningskader.

De rechtbank heeft wel een definitieve beslissing genomen over het verzoek van de vader om het gezag van de moeder te beëindigen, en dit verzoek afgewezen. De rechtbank oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat het gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind zou zijn. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is vastgesteld bij de vader, omdat de moeder hiertegen geen verweer voerde. De rechtbank heeft de huidige zorgregeling voorlopig vastgesteld en de beslissing over de kinderalimentatie aangehouden tot er meer informatie beschikbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/598631 / FL RK 25-910
Uniform hulpaanbod
Beschikking van 18 november 2025
in de zaak van:
[vader],
wonende op een geheim adres,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J.B. de Jong,
tegen
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. G.J.A.M. Gloudi.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 4 van de vader, binnengekomen op 22 augustus 2025;
- het verweerschrift van de moeder, met daarin een aantal zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 28 augustus 2025;
- de brief met bijlagen 1 tot en met 6 van de moeder, binnengekomen op 26 september 2025;
- het bericht met bijlage van de vader van 8 oktober 2025;
- het bericht met bijlage van de moeder van 13 oktober 2025;
- het bericht met bijlage van de moeder van 14 oktober 2025.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
20 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig: de vader met zijn advocaat en de moeder met haar advocaat. Daarnaast was ook [A] aanwezig namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De rechtbank heeft aan [minderjarige] , de zoon van de ouders, gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. Hij heeft op 14 oktober 2025 met de rechter gesproken. Op de zitting is samengevat aan de orde geweest wat [minderjarige] heeft verteld. De ouders hebben hierop kunnen reageren.
2. Waar de procedure over gaat
2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een kind [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] .
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij alle belangrijke beslissingen over [minderjarige] samen nemen.
2.4.
De vader vraagt de rechtbank het gezag van de moeder te beëindigen, zodat hij alleen het gezag krijgt over [minderjarige] . Hij heeft daarbij toegelicht dat de ouders al een tijd niet meer goed met elkaar communiceren, waardoor het gezamenlijk nemen van beslissingen niet mogelijk is. Verder vraagt de vader (subsidiair) dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. Ook verzoekt hij een kinderalimentatie van € 250,- per maand.
2.5.
De ouders zijn het verder niet eens over de verdeling van de zorg. De vader verzoekt een regeling waarbij [minderjarige] eens per twee weken van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur bij de moeder verblijft, en de overige tijd bij hem. De schoolvakanties wil hij in onderling overleg verdelen. De moeder heeft een tegenverzoek ingediend: zij wil een regeling waarbij [minderjarige] de ene week bij haar verblijft en de andere week bij de vader.

3.De beoordeling

De zorgregeling
Nog geen definitieve beslissing over de zorgregeling
3.1.
De rechtbank zal op dit moment nog geen definitieve beslissing nemen over de zorgregeling. De beslissing wordt uitgesteld met zes maanden in afwachting van de uitkomst van het hulpverleningstraject dat de ouders gaan volgen. Hierna legt de rechtbank deze beslissing uit.
Uniform hulpaanbod
3.2.
Op de zitting hebben de ouders besloten om hulp te vragen. De ouders willen werken aan hun communicatie en het vertrouwen in elkaar als ouders. De rechtbank vindt dat verstandig. Gelukkig gaat het op dit moment (weer) goed met [minderjarige] . Hij is gewisseld naar een school voor speciaal onderwijs ( [naam school] in [plaats] ) en heeft minder woedeaanvallen dan voorheen. De ouders hebben het, ondanks hun slechte communicatie, samen toch voor elkaar gekregen om de overstap naar deze school te regelen. Dat is positief.
3.3.
Het is belangrijk dat het goed met [minderjarige] blijft gaan. Daarvoor is een goede samenwerking tussen de ouders van belang. Op dit moment communiceren zij nauwelijks met elkaar. Er wordt niet overlegd of informatie over [minderjarige] gedeeld, bijvoorbeeld over afspraken op school of over de mogelijkheid van leerlingenvervoer naar [plaats] . Hierdoor gaat belangrijke informatie verloren. Van belang is dat deze situatie snel verbetert, zodat [minderjarige] hier niet de dupe van kan worden.
3.4.
De rechtbank heeft vertrouwen in de bereidheid van de ouders om hun communicatie en samenwerking te verbeteren en vindt ouderschapsbemiddeling via Uniform Hulpaanbod hiervoor een passend traject. Daarbij betrekt de rechtbank dat de Raad op de zitting heeft gezegd dat mediation buiten een hulpverlengingskader de ouders waarschijnlijk onvoldoende hulp biedt, omdat bij de ouders veel onderliggende emoties en spanningen spelen. De Raad adviseert daarom een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod. In lijn met dit advies heeft de rechtbank de ouders hiernaar doorverwezen. Dankzij de verwijzing is snel contact met de hulpverlening mogelijk.
3.5.
De rechtbank heeft met de hulpverlening voor ogen dat de ouders aan de slag gaan om afspraken te maken over de opvoeding van [minderjarige] , waaronder ook over de zorgregeling. Daarnaast is het belangrijk dat de ouders afspraken maken over hoe zij met elkaar gaan communiceren. Ook zullen gevoelige onderwerpen bespreekbaar moeten worden gemaakt, zodat deze niet langer zorgen voor spanningen in de samenwerking. Een voorbeeld hiervan is hoe de rol van de nieuwe partner van de vader, [B] , in het leven van [minderjarige] wordt genoemd, zowel richting [minderjarige] als tegenover anderen.
3.6.
De hulpverlening zal een rapportage aan de rechtbank sturen over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening. De ouders stemmen daarmee in.
3.7.
De rechtbank zal de beslissing aanhouden tot
13 mei 2026in afwachting van een rapportage over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening.
3.8.
De rechtbank heeft een scan van het proces-verbaal met gegevens van de ouders gestuurd naar de centrale intake/toegang die het gaat doorsturen naar de organisatie die hulp gaat verlenen. De centrale intake/toegang zal de rechtbank berichten welke organisatie is ingeschakeld. De rechtbank zal vervolgens een kopie van deze beschikking sturen aan de Raad en de hulpverlener(s) die het traject/de trajecten zal (zullen) verzorgen.
3.9.
De rechtbank verzoekt deze instantie om uiterlijk op de datum zoals vermeld onder de beslissing, of zoveel eerder als mogelijk is, aan de rechtbank en aan de Raad de rapportage te sturen over het verloop en de uitkomst van de ouderschapsbemiddeling. De uitkomst van de hulpverlening kan zijn: positief resultaat, niet geheel positief resultaat of negatief resultaat.
3.10.
Als de hulpverlening heeft geleid tot een positief resultaat, hebben de advocaten twee weken de tijd om te laten weten of behandeling ter zitting nog nodig is of dat de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.
3.11.
Als de hulpverlening niet heeft geleid tot een (geheel) positief resultaat, zal de Raad beoordelen of een schriftelijk advies nodig is of dat een mondeling advies op zitting voldoende is. Als de Raad een schriftelijk advies nodig vindt, verzoekt de rechtbank de Raad om schriftelijk te adviseren en te doen wat daarvoor nodig is.
In de tussentijd blijft de huidige zorgregeling doorlopen
3.12.
Op dit moment verblijft [minderjarige] ieder weekend van vrijdagmiddag na school tot maandochtend naar school bij de moeder, en de rest van de week bij de vader. Los van de gebrekkige communicatie tussen de ouders, loopt deze regeling goed. In afwachting van de uitkomst van de hulpverlening zal de rechtbank daarom deze bestaande regeling als voorlopige zorgregeling vaststellen. Dit zorgt voor duidelijkheid en biedt rust, zodat in de tussentijd aan afspraken voor de toekomst kan worden gewerkt.
Het gezag
3.13.
De rechtbank zal al wel een definitieve beslissing nemen op het verzoek van de vader om het gezag van de moeder te beëindigen, omdat het voor beide ouders goed is om te weten in welke rol zij deelnemen aan de ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen. Dit betekent dat beide ouders het gezag over [minderjarige] houden. Hieronder licht de rechtbank deze beslissing toe.
3.14.
Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, ook wanneer zij uit elkaar zijn. Afwijking van dit uitgangspunt is alleen mogelijk als een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afziende tijd verbetering komt, of als gezamenlijk gezag anderzijds niet in het belang van het kind is. [1]
3.15.
In dit geval ziet de rechtbank geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Wat de vader heeft gezegd over de slechte communicatie tussen hem en de moeder, is onvoldoende om zijn verzoek toe te wijzen. De rechtbank betrekt hierbij dat uit jurisprudentie volgt dat het ontbreken van een goede communicatie tussen ouders op zichzelf onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat gezamenlijk gezag niet in het belang is van het kind. [2] Er zijn geen aanwijzingen dat er een gevaar bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken bij het voortzetten van het gezamenlijk gezag, dan wel dat dit anderzijds niet in zijn belang zou zijn. Bovendien heeft de vader op de zitting aangegeven dat het hem, ondanks zijn verzoek om eenhoofdig gezag, eigenlijk gaat om verbetering van de communicatie. De ouders krijgen juist nu hulp om hun communicatie te verbeteren en hebben allebei verklaard dat zij zich hiervoor gaan inzetten. Hierdoor is op korte termijn (nog) verbetering in de situatie is te verwachten. De rechtbank wijst het verzoek van de vader dan ook af.
Hoofdverblijfplaats
3.16.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vaststellen bij de vader in [plaats] . Op de zitting heeft de moeder gezegd dat zij hiertegen geen verweer voert. Voor de school van [minderjarige] is het ook noodzakelijk dat hij in [plaats] staat ingeschreven, en niet in [plaats] , waar de moeder woont.
3.17.
De vader heeft aan zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats gekoppeld dat ‘
vader de SVB en Belastingdienst kan informeren en rechthebbende is op kindertoeslag en KGB’De rechtbank begrijpt dat de vader met dit verzoek de bedoeling heeft om aanspraak te kunnen maken op de kinderbijslag en het kindgebonden budget. De moeder ontvangt nu de volledige kinderbijslag. Zoals ook op de zitting besproken, is het niet aan de rechtbank om te bepalen aan wie en hoeverre de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de kinderbijslag en het kindgebonden budget uitkeert. Het is aan de ouders om dit zelf bij de SVB te regelen. De ouders hebben op de zitting verklaard dat zij, met hulp van hun advocaten, hiermee aan de slag gaan. De rechtbank zal dan ook alleen het deel dat ziet op de vaststelling van de hoofdverblijfplaats toewijzen en niet de (aanvullende) bedoeling.
De kinderalimentatie
3.18.
De rechtbank zal nog geen beslissing nemen over de kinderalimentatie en ook dit verzoek aanhouden, zoals op de zitting is verzocht. Eerst is nodig dat de ouders elkaar de benodigde informatie geven om een berekening te kunnen maken. Het zou goed zijn als het de ouders lukt om in overleg ook hierover afspraken te maken. Als dat niet lukt, is het aan de vader om zijn verzoek te onderbouwen. Het door hem gevraagde bedrag van € 250,- is niet gebaseerd op een berekening en de rechtbank heeft ook geen financiële gegevens van de ouders ontvangen. Er ligt op dit moment dan ook geen onderbouwd verzoek waarop de rechtbank kan beslissen.
De brief aan [minderjarige]
3.19.
[minderjarige] heeft aan de kinderrechter gevraagd of hij de beslissing, naast via zijn beide ouders, ook rechtstreeks van haar mocht horen. De kinderrechter heeft [minderjarige] daarom de volgende brief gestuurd:
Beste [minderjarige] ,
Op 14 oktober 2025 hebben wij elkaar gesproken op de rechtbank. We hebben het gehad over capibara’s (jouw favoriete dier), giraffen en katten, maar ook over jou en jouw ouders. Je vertelde mij dat je het fijn vindt bij jouw vader en [B] thuis, maar dat je het ook fijn hebt bij je moeder. Het liefst zou je nog wat vaker bij je moeder willen zijn, zodat je bij allebei je ouders ongeveer evenveel tijd bent.
Na ons gesprek heb ik met je ouders een gesprek op de rechtbank gehad. Dat heet een zitting. Daar waren ook hun advocaten en een mevrouw van de Raad voor de Kinderbescherming bij. Ik schrijf je nu om uit te leggen wat we op de zitting hebben besproken en hoe het nu verder gaat.
Ik heb nog geen beslissing genomen. Je ouders hebben op de zitting afgesproken dat ze samen hulp gaan zoeken. Je ouders kunnen nu niet zo goed met elkaar praten en met elkaar overleggen. Dat willen ze graag veranderen, en daarom hebben ze besloten dat ze daarbij graag hulp willen krijgen. Ik vind het heel goed van je ouders dat ze hulp willen. Ik denk dat het ook voor jou fijn is als jouw ouders geen ruzie meer maken, maar beter met elkaar leren praten.
Je ouders gaan nu aan de slag en kijken of ze beter met elkaar kunnen praten. Ik wacht af of dat lukt. Voor nu blijven ook de dagen waarop je bij je moeder bent en de dagen waarop je bij je vader bent nog hetzelfde, dus door de week bij je vader en in het weekend bij je moeder. Wanneer er wat wijzigt, dan hoor je dat van je ouders of weer van mij.
Ik hoop dat het hiermee voor jou duidelijk is hoe het nu verder gaat.
Met hartelijke groeten,
De Kinderrechter
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.20.
De rechtbank zal de beslissing gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals hieronder vermeld. Dat betekent dat de beslissing (voor dat deel) moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Proceskosten
3.21.
Omdat de rechtbank de beslissing over de kinderalimentatie en de definitieve zorgregeling zal aanhouden, zal de rechtbank ook de beslissing over de proceskosten aanhouden.
3.22.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vader;
4.2.
stelt de volgende voorlopige zorgregeling vast:
- [minderjarige] verblijft iedere week van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij moeder en de rest van de week van de vader;
- de verdeling van de vakanties in overleg;
4.3.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
houdt de beslissing over de definitieve zorgregeling, de kinderalimentatie en de proceskosten aan;
4.5.
verzoekt de hulpverlener(s)
uiterlijk op 13 mei 2026en zoveel eerder als mogelijk, de rapportage over het verloop en de uitkomst van het traject aan de rechtbank te sturen;
4.6.
verzoekt de Raad bij een niet helemaal positief resultaat te beoordelen of een schriftelijk advies noodzakelijk is en de rechtbank daarover
uiterlijk binnen twee wekente informeren,
4.7.
als de Raad een schriftelijk advies nodig vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad een schriftelijk advies bij de rechtbank in te dienen
uiterlijk binnen vier maanden;
4.8.
stelt partijen bij een positief resultaat in de gelegenheid om
uiterlijk binnen twee wekente reageren op de rapportage van de hulpverlener(s) en daarbij aan te geven of zij een nadere zitting nodig vinden;
4.9.
wijst af het anders of meer verzochte af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.G. de Jong, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. S.C. Scherpenhuijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:253n jo. 1:251a lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek
2.Hoge Raad, ECLI:NL:HR:1999:ZC2963, 10 september 1999, NJ 2000, 20 met annotatie van S.F.M. Wortmann