In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 4 december 2025 een beschikking gegeven in een familierechtelijke procedure met betrekking tot de minderjarige [minderjarige]. De vader van [minderjarige] heeft het eenhoofdig gezag over haar, terwijl de moeder in 2016 is overleden. De minderjarige verblijft sinds november 2022 bij haar pleegmoeder, met wie de vader eerder een relatie heeft gehad. De rechtbank heeft eerder beslissingen genomen over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige], die zijn verlengd tot respectievelijk 29 november 2026.
Tijdens de zitting op 4 december 2025, waar de vader niet aanwezig was, zijn de verzoeken van de gecertificeerde instelling (GI) om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen behandeld. De rechtbank heeft besloten dat er geen contact tussen de vader en [minderjarige] zal zijn, tenzij [minderjarige] zelf aangeeft hieraan toe te zijn. De rechtbank heeft geen ambtshalve beslissing genomen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige], omdat de vader alleen belast is met het gezag en de wet geen mogelijkheid biedt om het gezag van de vader te beëindigen zonder een verzoek daartoe. De rechtbank heeft benadrukt dat de GI verantwoordelijk is voor het beoordelen van de situatie en het aanvragen van eventueel verder onderzoek naar het gezag.
De beslissing is mondeling uitgesproken en op schrift gesteld op 16 december 2025. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na de uitspraak.