Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] uit [plaats] , eiser,
Inleiding
€ 702.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Beoordeling door de rechtbank
€ 633.000,-, maar stelt een nieuwe waarde voor van € 548.000,-. De waarde waar in de uitspraak op bezwaar van is uitgegaan kan dus niet in stand blijven. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen. Omdat eiser het ook niet eens is met de in beroep verlaagde waarde en een lagere waarde bepleit, zal de rechtbank hierna beoordelen of de door de heffingsambtenaar verlaagde waarde van
€ 548.000,- niet te hoog is vastgesteld.
Vergelijkbaarheid met de buurwoningen
€ 3.813.- per m² (o.a. [adres 6] en [adres 7] , beide 118 m², voor ca. € 450.000,-). Uitgaande van deze prijs per m² zou zijn woning aanzienlijk lager moeten worden gewaardeerd.
€ 5.364,- per m². Eiser noemt dat bedrag disproportioneel omdat hij zelf tot een gemiddelde van € 3.982,- per m² komt, wat neerkomt op een marktwaarde van ongeveer € 470.000,-. De heffingsambtenaar stelt dat door het verlagen van de waarde in beroep, de prijs per m² van de woning neerkomt op € 2.757,-.
inclusief grond, gedeeld door het gebruiksoppervlak. De heffingsambtenaar gaat bij de waardering echter (terecht) uit van de prijs per m² van het gebruiksoppervlak
van de woning, waarbij vervolgens de waarde van de grond en bijgebouwen wordt opgeteld. De rechtbank kan dat volgen. De beroepsgrond slaagt niet.