Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Inleiding
- [adres 1] in Zeist (woning), vastgesteld op € 386.000,-;
- [adres 2] in Zeist (niet-woning), vastgesteld op € 205.000,-
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waardebepalingen van twee onroerende zaken in Zeist, een woning en een winkel, vastgesteld op respectievelijk €386.000 en €205.000 voor het belastingjaar 2024 met waardepeildatum 1 januari 2023. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarden na bezwaar en onderbouwde deze met een taxatiematrix volgens de huurwaardekapitalisatiemethode voor de winkel en de vergelijkingsmethode voor de woning.
De rechtbank oordeelt dat de door de heffingsambtenaar overgelegde taxatiematrix en onderliggende gegevens voldoende aannemelijk maken dat de WOZ-waarden niet te hoog zijn vastgesteld. De referentieobjecten zijn vergelijkbaar en de gehanteerde huurwaarden en kapitalisatiefactoren zijn marktconform. Eiser heeft geen concrete, inhoudelijke gronden aangevoerd die het beroep kunnen ondersteunen, mede door onsamenhangend en fragmentarisch procederen.
Daarnaast is het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer dan twee jaar hebben geduurd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om griffierecht- en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardebepalingen van de woning en winkel wordt ongegrond verklaard en de waarden worden gehandhaafd.