ECLI:NL:RBMNE:2025:7000

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
16.086952-24 (ontneming) (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis van de meervoudige kamer inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in lachgas

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in Lelystad uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen [veroordeelde], die eerder was veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel behandeld. De officier van justitie schatte het voordeel op € 10.216,64, maar wijzigde dit bedrag tijdens de zitting naar € 5.108,32, gebaseerd op de veronderstelling dat de helft van de opbrengsten aan [veroordeelde] toerekenbaar was. De verdediging voerde aan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel veel lager was, namelijk € 112,88, en dat er onjuiste uitgangspunten waren gebruikt in de berekening van het ontnemingsrapport. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden zorgvuldig gewogen en vastgesteld dat [veroordeelde] in de periode van 12 januari 2024 tot en met 20 maart 2024 in totaal 17 pallets lachgas had ingekocht, wat leidde tot een bruto opbrengst van € 88.128,-. Na aftrek van kosten, die in totaal € 77.876,44 bedroegen, kwam de rechtbank tot de conclusie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 10.251,56 was. Dit bedrag werd gelijk verdeeld tussen [veroordeelde] en [medeveroordeelde], waardoor het aan [veroordeelde] toe te rekenen voordeel op € 5.125,78 werd vastgesteld. De rechtbank legde [veroordeelde] de verplichting op om dit bedrag aan de staat te betalen, en bepaalde de duur van de gijzeling op 102 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.086952-24 (ontneming) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 december 2025 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
hierna te noemen: [veroordeelde] .

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. M. Mahmoudi en van hetgeen [veroordeelde] en zijn raadsvrouw mr. K. Zech, advocaat te Zoetermeer, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van:
  • het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 15 januari 2025 met parketnummer 16.086952-24 in de onderliggende strafzaak tegen [veroordeelde] ;
  • het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict’ van 26 september 2024 (hierna: het ontnemingsrapport);
- de stukken behorende tot het dossier in de ontnemingszaak met parketnummer 16.086952-24;
- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 16.086952-24.

2.VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 31 juli 2025 gevorderd dat de rechtbank:
het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en
aan [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dit voordeel.
Bij deze vordering is het voordeel door de officier van justitie geschat op een bedrag van € 10.216,64.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 10 december 2025 de vordering gewijzigd naar een bedrag van € 5.108,32. Het bedrag van de oorspronkelijke vordering was gelijk aan het bedrag dat volgens het ontnemingsrapport door [veroordeelde] en medeveroordeelde [medeveroordeelde] (hierna: [medeveroordeelde] ) samen was verdiend. De officier van justitie heeft aangevoerd dat daarvan de helft aan [veroordeelde] moet worden toegerekend en daarom heeft zij de vordering overeenkomstig gewijzigd.
Verder heeft de officier van justitie – als reactie op de standpunten van de verdediging – aangevoerd dat op het bedrag van € 5.108,32 nog twee correcties moeten worden gemaakt. In het ontnemingsrapport is ervan uitgegaan dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] de door hen op 20 maart 2024 ingekochte pallet met 162 lachgasflessen hebben verkocht, maar dat is volgens de officier van justitie niet aannemelijk. Verder is in het ontnemingsrapport geen rekening gehouden met door [veroordeelde] en [medeveroordeelde] gemaakte brandstofkosten, terwijl het volgens de officier van justitie wel aannemelijk is dat zij die kosten hebben gemaakt.
De officier van justitie heeft over de betalingsverplichting aan de staat aangevoerd dat er geen aanleiding bestaat om het bedrag daarvan lager vast te stellen dan het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 112,88. De raadsvrouw heeft hiervoor aangevoerd dat de berekening uit het ontnemingsrapport voor een deel is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Volgens de raadsvrouw moet niet worden uitgegaan van de verkoop van 15 pallets, maar van 14 pallets. De reden hiervoor is dat de pallet die [veroordeelde] en [medeveroordeelde] op 20 maart 2024 hebben ingekocht nog diezelfde dag in beslag is genomen door de politie. Deze pallet hebben zij dus niet verkocht.
Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet moet worden uitgegaan van een verkoopprijs van € 32,- per lachgasfles, maar van € 31,- per lachgasfles. Volgens de raadsvrouw was sprake van wisselende verkoopprijzen. Het bedrag van € 31,- is een middenweg.
De huurkosten van bestelbussen waren volgens de raadsvrouw hoger dan het bedrag waarvan in het ontnemingsrapport is uitgegaan. De reden hiervoor is dat onvoldoende rekening is gehouden met de huurkosten van de Fiat Ducato. [veroordeelde] en [medeveroordeelde] hebben voor die bestelbus een bedrag betaald van € 2.205,03 (inclusief borg). Volgens de raadsvrouw moet bij de berekening van de huurkosten rekening worden gehouden met dit volledige bedrag.
Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in het ontnemingsrapport ten onrechte geen rekening is gehouden met brandstofkosten voor het ophalen van het ingekochte lachgas. Volgens de raadsvrouw waren die kosten ongeveer € 60,- per keer.
Over de betalingsverplichting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze moet worden vastgesteld op € 0,-. De officier van justitie heeft namelijk beslag gelegd op een geldbedrag van [veroordeelde] van € 2.647,40. Volgens de raadsvrouw moet daarom voor het vaststellen van de betalingsverplichting dit bedrag op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering worden gebracht.

3.BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1
Wettelijk kader
Op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan aan degene die is veroordeeld voor een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd om een geldbedrag aan de staat te betalen ter hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Artikel 36e Sr heeft een herstellend karakter. Dit betekent dat de ontnemingsmaatregel de veroordeelde beoogt te brengen in de vermogenspositie waarin hij verkeerde vóór het plegen van het strafbare feit waaruit hij voordeel heeft verkregen. Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet dus worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde daadwerkelijk heeft behaald.
De rechtbank heeft volgens vaste rechtspraak bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel een grote mate van beoordelingsvrijheid. De toets die de rechtbank moet hanteren is die van “aannemelijkheid”. Dat betekent dat de rechtbank zich de vraag moet stellen of het aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
3.2
De grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van 15 januari 2025 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet
gegeven verbod, meermalen gepleegd, en
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met
het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
in de periode van 12 januari 2024 tot en met 20 maart 2024.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is de veroordeling voor strafbare feiten. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die [veroordeelde] heeft begaan en strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat [veroordeelde] deze heeft begaan (artikel 36e lid 2 Sr).
3.3
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de navolgende feiten en omstandigheden, die aan wettige bewijsmiddelen [2] zijn ontleend, voldoende aannemelijk is geworden dat [veroordeelde] uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
Voor de berekening van de opbrengsten en de kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport.
3.3.1.
Periode
In het vonnis van 15 januari 2025 is bewezen verklaard dat [veroordeelde] in de periode van 12 januari 2024 tot en met 20 maart 2024 heeft gehandeld in lachgas. Deze periode wijkt af van de periode die staat genoemd in het ontnemingsrapport. In dat rapport wordt ervan uitgegaan dat de handel heeft plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2024 tot en met 20 maart 2024. [3]
De rechtbank ziet echter geen aanleiding om uit te gaan van de eerdere startdatum van de handel zoals genoemd in het ontnemingsrapport. De rechtbank zal daarom voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van de bewezen verklaarde periode uit het vonnis (hierna: de ontnemingsperiode). De rechtbank merkt hierbij op dat dit, zoals hierna zal blijken, geen verschil maakt voor de uitkomst van de berekening.
3.3.2.
Aantal ingekochte lachgasflessen
3.3.2.1 Aantal ingekochte pallets
In het ontnemingsrapport wordt ervan uitgegaan dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in totaal 13 keer een hoeveelheid lachgas hebben ingekocht. [4] Dit is gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek aan de telefoon van [medeveroordeelde] . [5] Op de telefoon stonden chatgesprekken met een contact genaamd [A] . Uit de chatgesprekken volgt dat [A] een leverancier was van lachgas die leverde vanuit Emmerich (Duitsland) en Rotterdam. Op basis van de chatgesprekken heeft de politie de volgende conclusies getrokken over de inkoop van lachgas door [veroordeelde] en [medeveroordeelde] bij [A] : [6]
‘-
16 januari 2024 2 pallets gekocht in Duitsland.
- 23 januari 2024 2 pallets en 50 a 80 losse stuks gekocht in Duitsland.
- 26 januari 2024 1 pallet gekocht in Duitsland.
-
29 januari 2024 onbekende hoeveelheid van “Cream” lachgas gekocht in Rotterdam.
- 6 februari 2024 1 pallet gekocht in Duitsland.
- 12 februari 2024, 1 a 2 pallets gekocht in Duitsland.
- 16 februari 2024, 1 pallet + 90 stuks los gekocht in Duitsland.
- 20 februari 2024, 1 pallet + 65 stuks los. Gekocht in Duitsland.
- 27 februari 2024, 1 pallet gekocht in Duitsland.
- 2 maart 2023(de rechtbank begrijpt: 2024)
, 2 pallets gekocht in Duitsland.
- 9 maart 2024 1 pallet gekocht Duitsland.
- 13 maart 2024, onbekende hoeveelheid gekocht in Duitsland.
- 20 maart 2024, 1 pallet gekocht in Duitsland.’
In het ontnemingsrapport is vervolgens voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van de inkoop van in totaal 15 pallets. Volgens het rapport staat op basis van de bevindingen van de politie namelijk vast dat in ieder geval 14 pallets zijn ingekocht. In aanvulling hierop is – voor de inkoopdata waarbij onduidelijkheid bestaat over de ingekochte hoeveelheid – ervoor gekozen om uit te gaan van de inkoop van 1 extra pallet. [7]
De rechtbank is van oordeel dat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van de inkoop van in totaal 17 pallets. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen van de politie gaat de rechtbank ervan uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de periode van 16 januari 2024 tot en met 20 maart 2024 16 pallets hebben ingekocht. Voor zover de politie op basis van de chatgesprekken heeft kunnen vaststellen welke hoeveelheid op bepaalde data is ingekocht, neemt de rechtbank die vastgestelde hoeveelheid over. Voor zover de ingekochte hoeveelheid voor een aantal data niet kon worden vastgesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat op die data steeds in ieder geval 1 pallet is ingekocht. Zoals volgt uit de bevindingen over de andere inkoopdata, was dat namelijk het minimale aantal dat door [veroordeelde] en [medeveroordeelde] per keer werd ingekocht. Verder is het aannemelijk dat zij uitsluitend voor de inkoop van lachgas naar Duitsland of Rotterdam gingen. Weliswaar heeft [veroordeelde] op de terechtzitting verklaard dat [medeveroordeelde] ook wel eens naar Duitsland ging om een lege pallet om te ruilen of voor een gesprek met de leverancier, maar voor dat standpunt ontbreekt enige onderbouwing. [8]
De rechtbank gaat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de voornoemde periode echter uit van de inkoop van 15 pallets (en dus niet van 16 pallets). De reden hiervoor is dat de rechtbank geen rekening houdt met de pallet die door [veroordeelde] en [medeveroordeelde] op 20 maart 2024 is ingekocht. Uit het dossier volgt namelijk dat het aannemelijk is dat die pallet door de politie in beslag is genomen. [9] Dit betekent dat ervan uit kan worden gegaan dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] de pallet niet hebben verkocht. Zij hebben daar dus geen opbrengsten uit ontvangen. Weliswaar hebben [veroordeelde] en [medeveroordeelde] kosten gemaakt voor de inkoop van deze pallet, maar het is vaste rechtspraak dat die kosten niet worden meegerekend omdat hieruit geen wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen. [10] De rechtbank laat deze pallet daarom voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing.
De rechtbank is verder van oordeel dat het aannemelijk is dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] op 12 januari 2024 voor het eerst 2 pallets hebben ingekocht. Uit de chatgesprekken met [A] volgt namelijk dat [medeveroordeelde] op die datum voor de inkoop hiervan naar Duitsland is gegaan. [11] In het ontnemingsrapport is ten onrechte geen rekening gehouden met deze inkoop.
De rechtbank gaat er daarom van uit dat in de ontnemingsperiode in totaal (15 + 2 =) 17 pallets zijn ingekocht.
3.3.2.2 Aantal lachgasflessen per pallet
In navolging van het ontnemingsrapport is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat elke pallet steeds 162 lachgasflessen bevatte. Zoals ook genoemd in het rapport, volgt dit uit notities die zijn aangetroffen op de telefoon van [medeveroordeelde] . [12] Verder heeft [veroordeelde] op de terechtzitting verklaard dat dit aantal klopt. [13]
3.3.2.3 Losse lachgasflessen
In het hiervoor weergegeven overzicht van de politie staat dat op meerdere data – naast pallets – ook een hoeveelheid losse lachgasflessen is ingekocht. Op de terechtzitting heeft [veroordeelde] ontkent dat er losse flessen zijn ingekocht. [14] De rechtbank zal, in het voordeel van [veroordeelde] , deze flessen buiten beschouwing laten.
3.3.2.4 Conclusie
De rechtbank gaat op basis van het voorgaande ervan uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode in totaal (162 x 17 =) 2.754 lachgasflessen hebben ingekocht.
3.3.3.
Bruto opbrengst verkoop lachgasflessen
3.3.3.1 Aantal verkochte lachgasflessen
In het ontnemingsrapport wordt ervan uitgegaan dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] alle ingekochte lachgasflessen hebben verkocht. [15] De rechtbank neemt dit uitgangspunt over. Zoals hiervoor toegelicht laat de rechtbank de op 20 maart 2024 ingekochte pallet buiten beschouwing. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in totaal 2.754 lachgasflessen hebben verkocht.
3.3.3.2. Verkoopprijs per lachgasfles
In het ontnemingsrapport is uitgegaan van een verkoopprijs van € 32,- per lachgasfles. De rechtbank neemt dit uitgangspunt over. Uit documenten die zijn aangetroffen op de telefoon van [medeveroordeelde] volgen berekeningen met verkoopprijzen die zijn gelegen tussen de € 28,- en € 34,- per lachgasfles. Hierbij is de prijs steeds afhankelijk gemaakt van de afgenomen hoeveelheid. [16] Verder volgt uit chatgesprekken die op deze telefoon zijn aangetroffen dat een verkoopprijs van € 32,- per lachgasfles het vaakst voorkwam bij transacties. [17] [veroordeelde] en [medeveroordeelde] hebben met deze verkoopprijs ook geadverteerd door middel van een verkoopflyer. [18] De rechtbank is daarom van oordeel dat het redelijk en passend is om een verkoopprijs van € 32,- per lachglasfles tot uitgangspunt te nemen.
3.3.3.3. Conclusie
Op basis van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat in de ontnemingsperiode sprake is geweest van een totale bruto opbrengst van (€ 32,- x 2.754 =) € 88.128,-.
3.3.4.
Kosten
3.3.4.1. Kosten inkoop lachgasflessen
In het ontnemingsrapport is rekening gehouden met de inkoopkosten van het lachgas. De rechtbank zal ook met die kosten rekening gehouden. Zoals hiervoor toegelicht, gaat de rechtbank ervan uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode in totaal 2.754 lachgasflessen hebben ingekocht. In het ontnemingsrapport wordt gerekend met een inkoopprijs van € 27,- per lachgasfles. Volgens het rapport kochten [veroordeelde] en [medeveroordeelde] voor dit bedrag lachgasflessen bij hun leverancier [A] en zou in het onderzoek niet zijn gebleken van een andere inkoopprijs. [19] Op de terechtzitting heeft [veroordeelde] verklaard dat deze inkoopprijs klopt. [20] De rechtbank gaat daarom ook uit van een inkoopprijs van € 27,- per lachgasfles.
In navolging hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode voor het inkopen van lachgas in totaal een bedrag hebben betaald van (€ 27,- x 2.754 =) € 74.358,-.
3.3.4.2. Huurkosten bestelbussen
Het is gebleken dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode kosten hebben gemaakt voor het huren van bestelbussen om het ingekochte lachgas op te halen. Op de telefoon van [medeveroordeelde] zijn namelijk voor een aantal inkoopdata huurfacturen aangetroffen. [21] In het ontnemingsrapport wordt ervan uitgegaan dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] op 13 verschillende data lachgas hebben ingekocht. Volgens het rapport hebben zij daarom op al die data een bestelbus gehuurd om het lachgas op te halen.
Zoals hiervoor toegelicht, gaat de rechtbank er ook van uit dat sprake is geweest van 13 verschillende inkoopdata. Weliswaar laat de rechtbank de inkoop van 20 maart 2024 buiten beschouwing, maar in aanvulling op het ontnemingsrapport wordt ook de inkoop van 12 januari 2024 meegerekend. De rechtbank gaat er daarom ook van uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode 13 keer kosten hebben gemaakt voor het huren van een bestelbus.
In het ontnemingsrapport is op basis van de hiervoor genoemde facturen een berekening gemaakt van de gemiddelde huurprijs van een bestelbus per keer. Uit die berekening volgt een gemiddelde huurprijs van € 148,72. [22] De rechtbank is van oordeel dat deze huurprijs voor de eerste 11 inkoopdata redelijk en passend is. Dat zijn de inkoopdata in de periode van 12 januari 2024 tot en met 3 maart 2024. Dit betekent dat voor deze periode wordt uitgegaan van een bedrag van (€ 148,72 x 11=) € 1.635,92 aan huurkosten.
Voor de huurkosten in de periode daarna merkt de rechtbank het volgende op. Uit een huurovereenkomst in het dossier volgt dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] voor de periode van 6 maart 2024 tot en met 31 maart 2024 een bestelbus hebben gehuurd, te weten een Fiat Ducato. [veroordeelde] en [medeveroordeelde] hebben hiervoor bij vooruitbetaling een bedrag voldaan van € 2.205,03 (inclusief borg). [23] De verdediging heeft aangevoerd dat de borg na de huurperiode niet is terugbetaald. De rechtbank is van oordeel dat dit aannemelijk is, omdat de bestelbus op 20 maart 2024 door de politie in beslag is genomen. [24]
Gelet op de huurperiode gaat de rechtbank ervan uit dat deze bestelbus is gebruikt voor het ophalen van het ingekochte lachgas op 9 maart 2024, 13 maart 2024 en 20 maart 2024. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat het de bedoeling was om de bestelbus ná 20 maart 2024 nog één keer te gebruiken voor het ophalen van een hoeveelheid lachgas. Dit baseert de rechtbank op de frequentie van de ritten.
Op basis van deze uitgangspunten is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en passend is om voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening te houden met een bedrag van (€ 2.205,03 / 2 =) € 1.102,52 aan kosten. Zoals hiervoor toegelicht, houdt de rechtbank alleen rekening met kosten voor zover daar wederrechtelijk verkregen voordeel tegenover staat. In dit geval is het zo dat ervan uit kan worden gegaan dat de hoeveelheden lachgas die op 9 maart 2024 en 13 maart 2024 zijn ingekocht tot wederrechtelijk verkregen voordeel hebben geleid. Zoals hiervoor ook toegelicht, is het aannemelijk dat dit niet het geval is voor het lachgas dat op 20 maart 2024 is ingekocht. En omdat op die datum de bestelbus in beslag is genomen, is deze daarna niet meer gebruikt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat voor de helft van het aantal (geplande) ritten voor de inkoop van lachgas sprake is geweest van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank houdt daarom rekening met de helft van de totale kosten van deze bestelbus.
In navolging hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] voor het huren van bestelbussen een totaalbedrag aan kosten hebben gemaakt van (€ 1.635,92 + € 1.102,52 =) € 2.738,44.
3.3.4.3 Brandstofkosten
In het ontnemingsrapport is geen rekening gehouden met brandstofkosten die [veroordeelde] en [medeveroordeelde] hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat hier wel rekening mee moet worden gehouden. Weliswaar bevat het dossier geen onderbouwing van deze kosten, maar het is aannemelijk dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] bij het ophalen van het ingekochte lachgas met de bestelbussen ook steeds kosten voor benzine hebben gemaakt. Verder is van belang dat de verdediging heeft aangevoerd dat per keer dat lachgas werd opgehaald een bedrag van ongeveer € 60,- aan brandstofkosten is besteed. De rechtbank komt dit bedrag aannemelijk voor en de officier van justitie heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank zal daarom dit bedrag tot uitgangspunt nemen.
Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] voor brandstofkosten in totaal een bedrag van (€ 60,- x 13 =) € 780,- hebben betaald.
3.3.4.4. Conclusie
De rechtbank houdt op basis van het voorgaande voor de ontnemingsperiode rekening met een totaalbedrag aan kosten van (€ 74.358 + € 2.738,44 + € 780,- =) € 77.876,44.
3.3.5.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank stelt in navolging hiervan het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op:
Bruto opbrengst verkoop lachgasflessen € 88.128,-.
Kosten € 77.876,44 -/-
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 10.251,56.
3.4
Toerekening van het voordeel
De rechtbank heeft [veroordeelde] in het voornoemde strafvonnis – kort gezegd – veroordeeld voor het medeplegen van het handelen in lachgas. [veroordeelde] heeft namelijk met een ander, te weten [medeveroordeelde] , het lachgas verhandeld. Op de terechtzitting heeft [veroordeelde] verklaard dat de opbrengsten en de kosten van de handel tussen hem en [medeveroordeelde] gelijk werden verdeeld. [25] Op de terechtzitting is [medeveroordeelde] als getuige gehoord en die heeft over de verdeling hetzelfde verklaard. [26]
De rechtbank gaat er daarom van uit dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] het hiervoor genoemde bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk hebben verdeeld. Gelet hierop zal de rechtbank dit bedrag voor de helft aan [veroordeelde] toerekenen. De rechtbank stelt daarom het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 5.125,78.
3.5
Betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om het bedrag van de betalingsverplichting aan de staat lager vast te stellen dan het bedrag van het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank wijst dan ook het verzoek van de verdediging af om het geldbedrag waarop conservatoir beslag rust, te weten € 2.648,40, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen. De reden hiervoor is dat voor een dergelijke verrekening plaats is in de executiefase. De rechtbank stelt daarom het bedrag dat door [veroordeelde] moet worden betaald aan de staat, vast op € 5.125,78.
3.6
Gijzeling
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e lid 11 Sr zal de rechtbank bij het opleggen van de maatregel de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ten hoogste kan worden gevorderd. Met inachtneming van de oriëntatiepunten van de LOVS voor straftoemeting zal de rechtbank voor elke volle € 50,- van het opgelegde ontnemingsbedrag één dag gijzeling rekenen.

4.TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.BESLISSING

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 5.125,78;
- legt [veroordeelde] de verplichting op tot betaling van € 5.125,78 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 102 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mrs. B.F. Hammerle en R.W. Nederveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2025.

Voetnoten

1.Het ontnemingsrapport is opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal van 1 oktober 2024, onderzoeksnummer 14AKEN24 / MD1R024016, doorgenummerde pagina’s 364 tot en met 378.
2.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlage opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 9 juli 2024 en 1 oktober 2024, onderzoeksnummer 14AKEN24 / MD1R024016, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 404. Tenzij anders vermeld, zijn deze processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
3.Ontnemingsrapport: pagina 12.
4.Ontnemingsrapport: pagina’s 13 en 14.
5.Pagina 216 tot en met 226.
6.Pagina 226.
7.Ontnemingsrapport: pagina 14.
8.De verklaring van [veroordeelde] , afgelegd op de terechtzitting van 10 december 2025.
9.Pagina 131 tot en met 133 en pagina 138 tot en met 146.
10.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2396.
11.Pagina 216.
12.Pagina 229.
13.De verklaring van [veroordeelde] , afgelegd op de terechtzitting van 10 december 2025.
14.De verklaring van [veroordeelde] , afgelegd op de terechtzitting van 10 december 2025.
15.Ontnemingsrapport: pagina 13.
16.Pagina’s 229, 231 en 233.
17.Pagina’s 188, 209, 212, 213 en 228.
18.Pagina 200.
19.Ontnemingsrapport: pagina 11 en 14.
20.De verklaring van [veroordeelde] , afgelegd op de terechtzitting van 10 december 2025.
21.Pagina 234 tot en met 241.
22.Ontnemingsrapport: pagina 14.
23.Pagina 150.
24.Pagina 138.
25.De verklaring van [veroordeelde] , afgelegd op de terechtzitting van 10 december 2025.
26.De verklaring van [medeveroordeelde] , afgelegd als getuige op de terechtzitting van 10 december 2025.