ECLI:NL:RBMNE:2025:7033

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
11952389 \ AV EXPL 25-48
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wedertewerkstelling na vertrouwensbreuk door gesprekken met concurrent

De werknemer trad in maart 2025 in dienst bij de werkgever als onderdeel van het managementteam. In oktober 2025 voerde hij zonder voorafgaand overleg gesprekken bij een grote concurrent, zogenaamd als open sollicitant, om informatie over de bedrijfsvoering te verkrijgen. Na melding hiervan werd hij geschorst en de toegang tot bedrijfssystemen ontzegd.

De werknemer vorderde in kort geding wedertewerkstelling en rectificatie van vermeende beschuldigingen, terwijl de werkgever in reconventie een voorschot op boetes eiste wegens overtreding van het geheimhoudingsbeding. De kantonrechter oordeelde dat de schorsing gerechtvaardigd was vanwege een ernstige vertrouwensbreuk, mede gezien de positie van de werknemer en het risico op het delen van vertrouwelijke informatie.

De vordering tot rectificatie werd afgewezen omdat de werkgever niet had beticht van het daadwerkelijk delen van vertrouwelijke informatie. Ook het verzoek tot betaling van een voorschot op de wettelijke verhoging van loon werd afgewezen wegens het ontbreken van een betalingsachterstand. De vordering van de werkgever tot betaling van boetes werd verworpen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onvoldoende bewijs in kort geding.

De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak, de werkgever in die van de reconventie, welke nihil werden begroot. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De verzoeken tot wedertewerkstelling, rectificatie en voorschot op boetes worden afgewezen; de werknemer wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11952389 \ AV EXPL 25-48
Vonnis in kort geding van 17 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. L. Nix,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. L.D.E. Vink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6 van [eiser]
- de brief van mr Vink van 1 december 2025 met productie A tot en met D en de aankondiging van de eis in reconventie
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde] met daarin een eis in reconventie
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 december 2025. [eiser] was aanwezig met zijn advocaat. [gedaagde] heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [A] en haar advocaat. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
1.3.
Daarna is bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] is in dienst bij [gedaagde] en is in die functie op eigen initiatief en zonder voorafgaand overleg bij een grote concurrent van [gedaagde] op gesprek geweest. [eiser] heeft zich naar eigen zeggen voorgedaan als ‘open sollicitant’, om op die manier informatie te verwerven over de bedrijfsvoering van die concurrent. Kort nadat [eiser] [gedaagde] van dit gesprek op de hoogte heeft gesteld, heeft [gedaagde] [eiser] geschorst. [eiser] vordert in dit kort geding wedertewerkstelling. [gedaagde] voert verweer en heeft in reconventie een voorschot gevorderd op aan haar verschuldigde boetes wegens overtreding van het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen geheimhoudingsbeding. De kantonrechter wijst de verzoeken in conventie en in reconventie af.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
[eiser] is op 1 maart 2025 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van [functie] ( [functie] ). Het salaris bedraagt € 13.500,00 bruto per maand. [eiser] is als [functie] onderdeel van het managementteam. [gedaagde] is een onderneming die gespecialiseerd is in het ontwikkelen van software voor fysiotherapiepraktijken.
3.2.
[bedrijf] is een grote concurrent van [gedaagde] . [eiser] heeft zich in oktober 2025 bij [bedrijf] uitgegeven voor ‘open sollicitant’. Het was [bedrijf] bij die ‘open sollicitatie’ bekend dat [eiser] werkzaam was bij [gedaagde] . [eiser] heeft in het kader van de ‘open sollicitatie’ een gesprek gehad met het ontwikkelteam en het managementteam van [bedrijf] .
3.3.
Op 14 oktober 2025 heeft [eiser] tijdens het management-overleg melding gemaakt van zijn gesprekken met [bedrijf] en de inhoud daarvan. Op 22 oktober 2025 heeft [A] (bestuurder van [gedaagde] ) met [eiser] gesproken over de gesprekken bij [bedrijf] en heeft hij [eiser] duidelijk gemaakt ontstemd te zijn over het feit [eiser] deze gesprekken bij concurrent [bedrijf] heeft gevoerd, zonder enig voorafgaand overleg en/of afstemming. [gedaagde] heeft [eiser] vervolgens de toegang tot de interne systemen, accounts en bedrijfsmiddelen van de onderneming ontzegd, hem (met behoud van salaris) tijdelijk geschorst en verboden contact te onderhouden met externe partijen of concurrenten. Deze maatregelen zijn dezelfde dag per e-mail bevestigd aan [eiser] .
3.4.
Op 28 oktober 2025 heeft de advocaat van [eiser] bezwaar gemaakt tegen de non-actiefstelling, wedertewerkstelling gevorderd en ook aangegeven dat [eiser] had vernomen dat binnen [gedaagde] was gecommuniceerd dat [eiser] vertrouwelijke informatie met de concurrent had gedeeld. [eiser] wil(de) daarvan een rectificatie.
3.5.
In een e-mail van 29 oktober 2025 heeft [A] betwist dat hij [eiser] valselijk zou hebben beschuldigd.
3.6.
In een e-mail van 31 oktober 2025 heeft de advocaat [gedaagde] een aantal citaten voorgehouden waaruit volgens [eiser] zou blijken dat [A] [eiser] wel zou hebben beticht van het delen van vertrouwelijke informatie. Dit ging om de volgende citaten:
  • “He has in his position as a director of [gedaagde] with confidential information he went to a competitor in the market.”
  • “So it’s a situation about trust. A situation about confidentiality.”
  • “We’re discussing that in the meantime he doesn’t doe work for us at the moment and we will be aware of the confidentiality of the organization so he doesn’t get access to further information”
  • “Yeah, I totally agree. I think, we’re not talking about knowledge, about experience, about competence in this. It’s about trust and also about confidentiality of the information we have as a software company. And also the position in the market”
3.7.
In artikel 13 van Pro de arbeidsovereenkomst staat onder meer:
Artikel 13: Geheimhouding Pro
“1. De medewerker zal geheimhouding betrachten met betrekking tot alle bijzonderheden betreffende het bedrijf en de onderneming van werkgever waarvan de medewerker geacht kan worden te beseffen dat die gegevens van vertrouwelijke aard zijn”
(…)
3. De medewerker is verplicht vooraf schriftelijke toestemming van de werkgever te vragen en te verkrijgen voor publicaties in woord of geschrift, die de belangen van de werkgever op enigerlei wijze kunnen raken. Onder publicaties in de zin van dit artikel zijn ook begrepen uitingen van de medewerker op (sociale) media.”
In artikel 16: Boetebeding Pro
“1. Bij overtreding of niet-nakoming door de medewerker van één of meer van de in de artikelen 14 tot en met 16 genoemde verplichtingen verbeurt de medewerker ten gunste van werkgever, zonder dat aanmaning, ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist, een onmiddellijk opeisbare boete van € 2.500,00 voor elke dag dat de overtreding na mededeling van de ontdekking daarvan voortduurt, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, onverminderd de bevoegdheid van werkgever om nakoming te vorderen alsmede om in plaats van de boute volledige schadevergoeding te vorderen.”

4.De beoordeling

Wat vorderen partijen?
4.1.
[eiser] vordert (samengevat) in conventie dat hij weer zal worden toegelaten tot het werk en dat [gedaagde] een rectificatiebericht rond stuurt, beide op straffe van een dwangsom. Daarnaast wil hij een voorschot op de wettelijke verhoging over het loon van oktober 2025.
4.2.
[gedaagde] wil dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen en vordert in reconventie betaling van een bedrag van € 152.000,00 aan (een voorschot op) verbeurde boetes, omdat [eiser] volgens haar het door partijen overeengekomen geheimhoudingsbeding heeft geschonden.
Wanneer kan een vordering in kort geding worden toewezen?
4.3.
Het gaat hier in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
De vorderingen in conventie
4.4.
Het spoedeisend karakter vloeit naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval voort uit de aard van de zaak.
De wedertewerkstelling wordt afgewezen
4.5.
De kantonrechter stelt voorop dat de toewijsbaarheid van een vordering van een werknemer om in de gelegenheid gesteld te worden de overeengekomen arbeid te verrichten, moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 7:611 BW Pro, waarin is vastgelegd dat een werkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen. Deze maatstaf brengt in het algemeen gesproken mee dat de toewijsbaarheid van een dergelijke vordering afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval (vgl. Hoge Raad 12 mei 1989, LJN: AC2497, NJ 1989, 801). Daarbij dient naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter als uitgangspunt te worden genomen dat van een werkgever, als goed werkgever, gevergd mag worden dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft en dat die grond voldoende zwaar dient te wegen, gelet op het in beginsel zwaarwegend te achten belang van de werknemer om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten. Een ingrijpende maatregel als een op non­actiefstelling van een werknemer mag slechts worden genomen als toelating van de werknemer op het werk aan de goede gang van zaken bij de werkgever grote schade zou toebrengen of wanneer vanwege andere zwaarwegende redenen, waartegen de belangen van de werknemer niet opwegen, in redelijkheid van de werkgever niet gevergd kan worden dat hij de werknemer nog langer op het werk duldt.
4.6.
De eerste vraag die partijen in dit kort geding verdeeld houdt is of [gedaagde] een redelijke en voldoende zwaarwegende grond had om [eiser] op non-actief te stellen en deze op non-actiefstelling te handhaven. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van zo’n redelijke en voldoende zwaarwegende grond. [eiser] heeft meerdere gesprekken gevoerd met één van de grootste concurrenten van [gedaagde] . Hij heeft dat gedaan door, in zijn woorden, ‘op slinkse wijze’ binnen te komen en informatie te vergaren over de bedrijfsvoering van die concurrent. Het had op de weg van [eiser] gelegen om eerst te controleren of zijn werkgever, dan wel de mede MT leden, het eens waren met deze werkwijze en zo ja, wat er dan wel en niet besproken zou mogen worden. Immers, niet alleen voert [eiser] gesprekken over werkzaamheden die beide bedrijven uitvoeren, waarbij het risico bestaat dat [eiser] , bewust of onbewust, informatie verstrekt aan de concurrent die [gedaagde] niet wil delen, maar [eiser] gebruikt ook nog eens een ‘slinkse’ werkwijze, in dienst en dus uit naam van [gedaagde] , waar [gedaagde] mogelijk niet achter staat. Het is begrijpelijk dat dit binnen [gedaagde] heeft geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk, mede en met name gezien de positie die [eiser] bekleed binnen [gedaagde] . [eiser] beschikt over veel vertrouwelijke informatie en macht over alle interne systemen. Het is niet onredelijk dat [gedaagde] [eiser] gelet op de ernstige vertrouwensbreuk niet wil toelaten tot die informatie en niet wil dat [eiser] invloed kan uitoefenen op de systemen, totdat ofwel het vertrouwen is hersteld, dan wel de arbeidsovereenkomst is beëindigd.
4.7.
Dat [gedaagde] een week gewacht heeft met de schorsing maakt niet dat het handelen van [gedaagde] , zoals [eiser] stelt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [A] heeft tijdens de mondeling behandeling uitgelegd dat [eiser] in zijn functie in sommige gevallen over bepaalde account codes beschikte of enig beheerder was van een server. [A] heeft voorafgaand aan de schorsing onderzocht wat de risico’s waren als er sprake was van kwaadwillendheid bij [eiser] en wilde ervoor zorgen dat een eventuele schorsing van [eiser] de bedrijfscontinuïteit niet zou schaden. Dat is in het kader van een vertrouwensbreuk een gerechtvaardigd belang. Bovendien heeft [A] dit, gelet op het tijdsverloop, naar het oordeel van de kantonrechter met voldoende voortvarendheid ter hand genomen.
[gedaagde] hoeft geen rectificatie te versturen
4.8.
De tweede vraag is of [gedaagde] gehouden is een rectificatie te verspreiden binnen haar onderneming. Ook die vordering wordt afgewezen. De citaten die [eiser] aanhaalt ter onderbouwing van zijn vordering zien op het feit dat [eiser] over vertrouwelijke informatie beschikt en [gedaagde] die wil beschermen. Zij maken onderdeel uit van de uitleg waarom [eiser] op non-actief is gesteld. Er staat naar het oordeel van de kantonrechter niet dat hij ook vertrouwelijke informatie heeft gedeeld. Een rectificatie is daarom niet aan de orde.
[gedaagde] hoeft geen wettelijke verhoging te betalen
4.9.
Tot slot zal de kantonrechter ook de vordering met betrekking tot het voorschot op de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro afwijzen, nu niet is gebleken dat [gedaagde] het loon te laat heeft betaald.
[eiser] moet de proceskosten in conventie betalen
4.10.
[eiser] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 814,00
- nakosten
€ 135,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 949,00
4.11.
De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt toegewezen. Dit betekent dat partijen uitvoering moeten geven aan dit vonnis, ook wanneer daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
In reconventie
4.12.
In reconventie moet de kantonrechter beoordelen of [eiser] gehouden is tot betaling van een voorschot op verbeurde boetes, vanwege het schenden van de in artikel 13 van Pro de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbepaling. In aanvulling op de in 4.3 genoemde toets heeft hier te gelden dat de kantonrechter terughoudendheid betracht bij toewijzing van een geldvordering in kort geding. Dit vanwege het risico dat de vordering in een bodemzaak alsnog wordt toegewezen en het geld moet worden terugbetaald (het zogenaamde restitutie risico).
[eiser] hoeft geen voorschot op verbeurde boetes te betalen
4.13.
De kantonrechter wijst de vordering in reconventie af. Er is geen spoedeisend belang gesteld of gebleken, het boetebeding ziet volgens de tekst van het artikel niet op artikel 13 (het geheimhoudingsbeding) en bovendien staat niet vast of en zo ja welke informatie, als bedoeld in artikel 13, door [eiser] met [bedrijf] is gedeeld. Voor nader onderzoek daarnaar is in kort geding geen ruimte.
[gedaagde] moet de proceskosten in reconventie betalen
4.14.
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en is daarom in beginsel gehouden de proceskosten te betalen. Gelet op het verband met de hoofdzaak zullen deze kosten in reconventie worden begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
In conventie:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
In reconventie:
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in reconventie, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
184