ECLI:NL:RBMNE:2025:7035

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
11868687 \ LE VERZ 25-58 BW 31650 DEF
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 7:681 lid 1 onderdeel a BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig wegens samengestelde dringende reden en onverwijldheidseis

Verzoekster was sinds 1 maart 2007 in dienst bij verweerster als [functie] en werd op 7 juli 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeend oneigenlijk gebruik van het interne boekingssysteem. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is omdat de samengestelde dringende reden niet aan de onverwijldheidseis voldoet. De eerste reden, het opmaken van een geconstrueerde factuur voor een verzekeraar, werd onverwijld meegedeeld en onderzocht, maar het handelen van verzoekster vormt geen dringende reden voor ontslag.

De tweede reden, het annuleren van zakelijke boekingen en terugbetaling naar een privérekening, was al bekend op het moment van het gesprek op 23 juni 2025 en is niet onverwijld meegedeeld. Verweerster heeft onvoldoende onderbouwd wat zij daarna nog onderzocht heeft, waardoor het ontslag op dat punt niet rechtsgeldig is.

Verzoekster berust in het ontslag en vordert transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, billijke vergoeding en terugbetaling van onterecht ingehouden bedragen. De kantonrechter wijst deze vorderingen toe, waarbij de billijke vergoeding wordt vastgesteld op €23.000,00 bruto vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van verweerster. Ook worden compensatie-uren, reiskosten en parkeerkosten toegewezen. De proceskosten worden aan verweerster opgelegd.

De kantonrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige vorderingen af.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig verklaard en verweerster is veroordeeld tot betaling van transitie-, billijke en schadevergoedingen aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: 11868687 \ LE VERZ 25-58 BW 31650
Beschikking van 17 december 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekster,
verweerster in het zelfstandig tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigden: mr. D.C. Soetens en mr. A.J.K. de Graaf,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verweerster,
verzoekster in het zelfstandig tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. S. Rötscheid.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- het verzoekschrift met 18 producties (ingekomen op 5 september 2025),
- het aanvullend verzoekschrift met producties 19-25 (van 17 november 2025),
- het verweerschrift tevens zelfstandig tegenverzoek met 5 producties (van 18 november 2025),
-het bezwaar van [verzoekster] tegen het te laat ingediende verweerschrift,
-de mail van de rechtbank waarin [verweerster] in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op het bezwaar van [verzoekster] ,
-de reactie van [verweerster] op het bezwaar van [verzoekster] ,
-de mail van de kantonrechter waarin zij beslist dat het verweerschrift met tegenverzoek wordt toegestaan.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 november 2025 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Almere. [verzoekster] is verschenen (met haar echtgenoot en dochter), bijgestaan door mr. Soetens en mr. De Graaf. Namens [verweerster] is mevrouw
[A] (General Counsel) verschenen, bijgestaan door mr. Rötscheid. Beide gemachtigden hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is tijdens de zitting.
1.3.
Tijdens de zitting is bepaald dat uiterlijk op 19 december 2025 uitspraak zal worden gedaan.

2.Waar gaat deze zaak over?

[verzoekster] is sinds 1 maart 2007 in dienst bij [verweerster] als [functie] met een loon van € 1.857,93 (inclusief 8% vakantietoeslag) per maand op basis van een arbeidsomvang van 24 uur per week.
[verzoekster] is op 23 juni 2025 in een gesprek met de Financieel Directeur en de Bedrijfsjurist van [verweerster] geconfronteerd met een aantal bevindingen van [verweerster] over mogelijk oneigenlijk gebruik van het interne boekingssysteem. [verweerster] heeft daarna laten weten nader onderzoek te doen.
Op 7 juli 2025 is [verzoekster] door [verweerster] op staande voet ontslagen, omdat [verzoekster] oneigenlijk gebruik zou hebben gemaakt van het reissysteem van [verweerster] door het opmaken en gebruiken van een niet bestaande factuur voor [bedrijf] en het doen van privé terugbetalingen na annuleringen van zakelijke boekingen voor het bedrijf van haar echtgenoot.
[verzoekster] vindt dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Dat is de kantonrechter met [verzoekster] eens.
De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoekster] daarom grotendeels toe.

3.De beoordeling

3.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontslag niet rechtsgeldig is. [verzoekster] berust in het ontslag en maakt aanspraak op een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter zal deze vergoedingen toewijzen. Ook moet [verweerster] het onterecht op het loon van [verzoekster] ingehouden bedrag aan gefixeerde schadevergoeding aan [verzoekster] terugbetalen.
De reden voor het ontslag op staande voet
3.2.
[verweerster] heeft het volgende aan het ontslag ten grondslag gelegd:
“Wij hebben geconstateerd dat u, misbruik makend van de systemen van [verweerster] , een boekingsbevestiging/factuur hebt opgesteld/geconstrueerd waarmee u bij verzekeringsmaatschappij [bedrijf] ongebruikte vakantiedagen en kosten voor een huurauto hebt geclaimd. [bedrijf] , bovendien verzekeringspartner van [verweerster] , heeft deze kosten vergoed op basis van en naar aanleiding van de door u via de systemen van [verweerster] opgestelde boekingsbevestiging/factuur terwijl betreffende boeking (met uitzondering van 'economy class' vliegtickets) door u was geannuleerd. U heeft tegenover [bedrijf] ten onrechte de suggestie gewekt dat de op de boekingsbevestiging/factuur genoemde posten en daarbij behorende kosten daadwerkelijk door u bij [verweerster] zouden zijn gemaakt. [bedrijf] is op basis van deze boekingsbevestiging/factuur tot berekening en uitbetaling overgegaan (bijlage 1).
Het bedrag waarmee [bedrijf] de 'schade' heeft berekend kom exact overeen met het op de
boekingsbevestiging/factuur van [verweerster] genoemde bedrag van € 11.008,81 (bijlage 2). [verweerster] kan tot geen andere conclusie komen dan dat door u verzekeringsfraude is gepleegd, daarbij misbruik makend van de systemen van [verweerster] . Uw verklaring dat u het BAS-systeem van [verweerster] hebt gebruikt om een totaaloverzicht op te stellen van de reis voor de verzekering omdat u "dat systeem goed kent" is niet te volgen. U had, als u daadwerkelijk elders kosten voor deze reis zou hebben gemaakt, die facturen met verzekeraar [bedrijf] kunnen en moeten delen. U heeft tegenover [bedrijf] ten onrechte de indruk gewekt deze kosten bij [verweerster] te hebben gemaakt. [bedrijf] is op basis van de [verweerster] boekingsbevestiging/factuur tot berekening en vergoeding overgegaan.
Voorts heeft u in twee dossiers zakelijke boekingen van de vennootschap van uw partner die ook via een zakelijke rekening waren voldaan geannuleerd en (in één geval binnen 2 minuten) op de privérekening van uw partner laten restitueren. In één dossier heeft u gepoogd dat te doen maar is door ingrijpen van de financiële administratie alsnog gerestitueerd op de zakelijke rekening waarmee de betaling was gedaan.
Uw partner heeft geen antwoord willen geven op de vraag of de betreffende gelden uiteindelijk weer van privé naar de zakelijk rekening zijn overgeboekt c.q. juist zijn geadministreerd. [verweerster] kan dan ook niet uitsluiten dat u, wederom met gebruikmaking van de systemen van [verweerster] , medewerking hebt verleend aan het ten onrechte opvoeren van zakelijke kosten ten behoeve van privégebruik door u en/of uw partner.
Gelet op het voorgaande afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien rest ons geen andere optie dan uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op grond van een dringende reden te beëindigen. Dit betekent dat uw dienstverband op en ingaande 7 juli 2025 met onmiddellijke ingang is geëindigd.”
Het toetsingskader
3.3.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet de werkgever onverwijld hebben opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
3.4.
De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet dus in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden.
Voldoet de opzegging aan de onverwijldheidseis?
3.5.
Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven. De onverwijldheids-klok begint te tikken wanneer een vermoeden van een dringende reden ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Sprake moet zijn van een geïndividualiseerd en geconcretiseerd vermoeden, dat wil zeggen een redelijke mate van duidelijkheid over welke werknemer het betreft en de feitelijke grondslag die het bestaan van een dringende reden voor ontslag van die werknemer redelijkerwijs aannemelijk maakt. Vanaf dat moment heeft de partij die een opzegging wegens een dringende reden overweegt, enig respijt voordat daadwerkelijk tot ontslag kan worden overgegaan.
3.6.
[verzoekster] zegt dat [verweerster] niet onverwijld heeft opgezegd, omdat er tussen het gesprek van 23 juni 2025 en de datum van het ontslag op staande voet (7 juli 2025) twee weken zijn verstreken en zij in de tussenliggende periode gewoon haar werkzaamheden heeft verricht. Ook wijst [verzoekster] erop dat nergens uit blijkt wat [verweerster] nou nog heeft onderzocht in de tussenliggende periode. [verweerster] vindt dat zij onverwijld heeft gehandeld, omdat zij uit oogpunt van zorgvuldigheid nader onderzoek heeft gedaan naar haar bevindingen en de reactie van [verzoekster] daarop. Dat zij [verzoekster] heeft laten doorwerken was mogelijk, omdat [verweerster] de werkzaamheden van [verzoekster] volledig kon monitoren.
3.7.
Gelet op de in de ontslagbrief genoemde redenen voor het ontslag zijn er twee redenen te onderscheiden, die zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Het gaat hier dus om een zogenaamde samengestelde dringende reden. Dat betekent dat voor beide redenen ook afzonderlijk moet worden beoordeeld of onverwijld is gehandeld en of de reden onverwijld is meegedeeld. [1]
De eerste dringende reden (factuur aan [bedrijf] ) voldoet aan de onverwijlheidseis
3.8.
De eerste reden betreft het opmaken van een boekingsbevestiging in het systeem van [verweerster] en het indienen daarvan bij [bedrijf] , waarvan duidelijk is dat alleen de vliegtickets die hier onderdeel van uitmaken door [verzoekster] zijn geboekt bij [verweerster] . [verzoekster] had deze reis voortijdig moeten afbreken en wenste een kostenvergoeding van haar verzekeraar [bedrijf] .
Dit voorval niet is besproken tijdens het gesprek van 23 juni 2025. Deze bevinding is door [verweerster] voor het eerst met [verzoekster] gedeeld in het gespreksverslag dat zij in de avond van
23 juni 2025 aan [verzoekster] heeft gestuurd. Op 25 juni 2025 heeft [verzoekster] in reactie daarop per
e-mail aan [verweerster] laten weten dat zij in het systeem van [verweerster] een opsomming heeft gemaakt van alle gemaakte kosten voor de reis en dat zij deze aan [bedrijf] heeft toegestuurd. Door [verweerster] is op 26 juni 2025 per e-mail navraag gedaan bij [bedrijf] of door [verzoekster] bij haar de betreffende factuur is ingediend en of [bedrijf] deze kosten aan [verzoekster] vergoed heeft. Op 4 juli heeft [bedrijf] geantwoord dat die nota inderdaad bij hen in het boekingsschema staat en bij hen is ingediend.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerster] dus een dag na de uitleg van [verzoekster] over deze factuur een e-mail heeft gestuurd aan [bedrijf] . Dat [verweerster] vrij lang (ruim een week) op een reactie van [bedrijf] heeft moeten wachten, kan niet aan [verweerster] worden tegengeworpen. Uit oogpunt van zorgvuldigheid mocht [verweerster] hier de reactie van [bedrijf] afwachten, al had zij actiever navraag kunnen doen bij [bedrijf] . De e-mail van [bedrijf] is op vrijdag 4 juli om 15:42 uur aan [verweerster] verzonden, waarna [verweerster] op maandag 7 juli tot ontslag op staande voet is overgegaan. Gelet op het feit dat de e-mail aan het eind van vrijdagmiddag is ontvangen en direct na het weekend tot ontslag is overgegaan, is dit handelen en meedelen van de dringende reden onverwijld.
Het ontslag is ten aanzien van de tweede dringende reden (zakelijke annuleringen) niet onverwijld gegeven
3.9.
De tweede dringende reden die aan het ontslag ten grondslag is gelegd ziet op het inboeken door [verzoekster] van zakelijke reizen op naam van het bedrijf van haar echtgenoot en het vervolgens annuleren daarvan, waarna [verzoekster] de betaling naar de privérekening van haar echtgenoot heeft overgemaakt.
De kantonrechter stelt vast dat bij [verweerster] op 16 juni 2025 een “alarmsignaal” is binnengekomen over een boeking van [verzoekster] . Dit is geconstateerd door de Business Controller van [verweerster] . Op 19 juni 2025 is [verzoekster] uitgenodigd voor een gesprek op het hoofdkantoor en op 23 juni 2025 heeft dat gesprek plaatsgevonden. In dat gesprek is [verzoekster] geconfronteerd met de annuleringen van zakelijke reizen van haar echtgenoot. Tijdens dit gesprek heeft [verzoekster] uitgelegd dat het klantsysteem van [verweerster] geen bedrijfsnamen accepteert, waardoor de boeking altijd op naam van een natuurlijk persoon als hoofdboeker moet worden gemaakt. In een apart tekstveld kan de bedrijfsnaam worden vermeld. [verzoekster] heeft verder uitgelegd dat bij een annulering van een zakelijke reis de restitutie moest plaats vinden op het bankrekeningnummer van de hoofdboeker. Dit was de gebruikelijke werkwijze volgens [verzoekster] . [verweerster] heeft laten weten dat zij verdere boekingen van [verzoekster] gaat onderzoeken.
[verzoekster] heeft na dit gesprek gewoon door gewerkt, totdat zij op 7 juli 2025 telefonisch en vervolgens schriftelijk de mededeling krijgt dat zij op staande voet is ontslagen.
De kantonrechter is het met [verzoekster] eens dat [verweerster] niet duidelijk heeft kunnen maken wat zij nog heeft onderzocht ten aanzien van deze boekingen na het gesprek van 23 juni en de schriftelijke reactie van 25 juni van [verzoekster] daarop. [verweerster] heeft tijdens de zitting op de vraag naar wat zij in die tussenliggende periode nog nader heeft onderzocht aangegeven dat zij nog verder hebben gezocht in het systeem naar opvallende boekingen, maar die niet hebben gevonden.
De kantonrechter concludeert dat de boekingen die door [verweerster] zijn aangemerkt als verdacht en oneigenlijk gebruik van het systeem ook al bekend waren tijdens het gesprek van 23 juni 2025 en in elk geval op 25 juni 2025 na het gesprek en de reactie op het gespreksverslag van [verzoekster] . Omdat nergens uit blijkt wat voor nader onderzoek [verweerster] daarna nog heeft gedaan en er dus geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen ten aanzien van die boekingen, had [verweerster] veel eerder tot ontslag op staande voet moeten overgaan ten aanzien van deze ontslagreden om te kunnen voldoen aan de onverwijldheidseis. Het laten verstrijken van 14 dagen is beslist niet onverwijld. Dat betekent dat ten aanzien van deze tweede reden niet is voldaan aan de onverwijldheidseis.
Er is geen dringende reden
3.10.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat de dringende reden ten aanzien van de annuleringen van de zakelijke boekingen niet voldoet aan de onverwijldheidseis, resteert de vraag of het opmaken en indienen van de geconstrueerde factuur bij [bedrijf] een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet. Deze reden is namelijk ook als zelfstandige dringende reden aan het ontslag ten grondslag gelegd.
3.11.
Voor de beoordeling van deze dringende reden is relevant dat [verzoekster] in juni 2024 met haar echtgenoot een rondreis zou maken door de Verenigde Staten en Mexico. De vliegtickets had zij via [verweerster] geboekt. De overnachtingen en autohuur heeft zij elders geboekt. Tijdens deze reis is [verzoekster] zodanig ziek geworden dat zij in het ziekenhuis terecht is gekomen en daar een week opgenomen is geweest. [verzoekster] en haar echtgenoot hebben deze reis niet kunnen afmaken en zijn op 28 juni 2024 vroegtijdig thuis gekomen. [verzoekster] is hierna nog een tijd (gedeeltelijk) ziek gebleven en heeft hierdoor tot en met mei 2025 haar werkzaamheden niet of beperkt kunnen verrichten.
3.12.
Vast staat dat [verzoekster] achteraf (in september 2024) een boekingsbevestiging heeft opgesteld in het systeem van [verweerster] van haar reis van juni-juli 2024 en deze heeft ingediend bij haar verzekeraar [bedrijf] en de kosten die daarop staan van [bedrijf] deels vergoed heeft gekregen. [verzoekster] heeft uitgelegd dat zij alle onderdelen van de reis (waaronder vele losse overnachtingen, autohuur et cetera) bij verschillende aanbieders heeft geboekt. Door [bedrijf] is verzocht om de gemaakte kosten voor de reis inzichtelijk te maken. [verzoekster] heeft toegelicht dat zij op dat moment nog niet in staat was om op een overzichtelijke manier al deze losse boekingen aan [bedrijf] toe te sturen. De echtgenoot van [verzoekster] heeft in eerste instantie een spreadsheet van de gemaakte kosten bij [bedrijf] aangeleverd en de overzichten van de betalingen die met de creditcard zijn gedaan, maar daarop heeft [bedrijf] te kennen gegeven dat dit onvoldoende is. [verzoekster] heeft er toen voor gekozen om aan de boeking die zij bij [verweerster] voor de vliegtickets had gemaakt ook de losse overnachtingen en autohuur toe te voegen, zodat zij op een voor haar eenvoudige wijze een duidelijk overzicht bij [bedrijf] kon aanleveren. [verzoekster] zegt dat zij bij [bedrijf] wel duidelijk heeft gemaakt dat dit alleen een overzicht en geen daadwerkelijke factuur van [verweerster] betrof. [verweerster] betwist dat en wijst op de e-mail van [bedrijf] van 4 juli 2025 waarin namens [bedrijf] wordt bevestigd dat zij deze boekingsnota van [verzoekster] heeft ontvangen. [verweerster] verwijt [verzoekster] dat zij ten onrechte de suggestie bij [bedrijf] heeft gewekt dat de op de boekingsbevestiging genoemde posten en daarbij horende kosten daadwerkelijk door haar bij [verweerster] zouden zijn gemaakt. Daarmee heeft zij [bedrijf] misleid en is [bedrijf] tot uitbetaling overgegaan op basis van een niet bestaande boeking bij [verweerster] . [verzoekster] heeft erop gewezen dat [bedrijf] het maximale tarief (van € 3.000,00 per persoon) heeft uitbetaald vanwege het eigen risico dat geldt voor de verzekering en dat zij in totaal op de factuur van € 11.008,83 een betaling van [bedrijf] heeft ontvangen van € 6.000,00. [verzoekster] wijst er ook op dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, maar dat zij daarvan alleen de vliegtickets via [verweerster] heeft geboekt en de rest bij andere aanbieders. [verzoekster] heeft op de boekingsnota ook de betalingsgegevens verwijderd en op de nota is zichtbaar dat deze is aangemaakt in september 2024, terwijl het gaat om een reis van juni 2024.
3.13.
De kantonrechter is het met [verweerster] eens dat [verzoekster] hier niet verstandig en zorgvuldig heeft gehandeld. [verzoekster] had de daadwerkelijk ontvangen facturen van de verschillende reisaanbieders aan [bedrijf] moeten verstrekken en [verzoekster] of haar echtgenoot had daar een overzicht, buiten het systeem van [verweerster] , van kunnen maken. Ter zitting is duidelijk geworden dat zij die facturen destijds nog niet aan [bedrijf] had verstrekt en (mede vanwege haar situatie) nog niet verzameld had en dit als een manier zag om snel de kwestie met [bedrijf] af te wikkelen. Dat had zo niet gemogen. Wel is gebleken door de onderliggende facturen die [verzoekster] voor de zitting heeft overgelegd, dat het overzicht daarvan wel klopt en dat zij dus niet zichzelf ten koste van [bedrijf] heeft willen bevoordelen. Vast staat ook dat [verweerster] hiervan geen nadeel heeft ondervonden.
3.14.
Het handelen van [verzoekster] is gelet op het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter niet aan te merken als een dringende reden. [verzoekster] heeft een verder onbesproken dienstverband van ruim 18 jaar bij [verweerster] en is nooit eerder aangesproken op een mogelijk oneigenlijk gebruik van het systeem van [verweerster] of andere onregelmatigheden. Een ontslag op staande voet is hier dan ook buitenproportioneel.
[verweerster] had hier kunnen volstaan met een officiële waarschuwing.
3.15.
Dat [verweerster] zelf dit ook niet direct een dringende reden vond, blijkt ook wel uit het feit dat zij, ondanks dat zij op 25 juni 2025 al wist dat [verzoekster] een boekingsbevestiging voor [bedrijf] in het systeem van [verweerster] had opgemaakt en naar [bedrijf] had toegestuurd ter vergoeding van haar kosten, ervoor heeft gekozen [verzoekster] onverminderd haar werkzaamheden voort te laten zetten. Het had voor de hand gelegen dat als [verweerster] dit daadwerkelijk zo hoog opnam, zij [verzoekster] gedurende het nadere onderzoek op non-actief had gesteld en dat heeft zij niet gedaan. Kennelijk vond [verweerster] op dat moment het vermoeden op zichzelf nog onvoldoende ernstig, terwijl toen haar vermoeden bevestigd werd, [verweerster] meende dat zij [verzoekster] geen moment langer meer op de werkvloer kon houden.
Het tegenverzoek van [verweerster] wordt afgewezen en zij moet de onterecht verrekende gefixeerde schadevergoeding aan [verzoekster] terugbetalen.
3.16.
Omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zal het zelfstandig tegenverzoek van [verweerster] om aan haar een gefixeerde schadevergoeding toe te kennen, worden afgewezen. Daar bestaat immers geen grondslag voor. Overigens heeft [verweerster] deze gefixeerde schadevergoeding, die zij heeft berekend op een bedrag van € 3.440,62, al verrekend met de eindafrekening van het dienstverband. [verweerster] moet dat bedrag dus aan [verzoekster] terugbetalen. Ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover is toewijsbaar. Voor matiging van die wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding.
[verweerster] moet de vergoeding wegens onregelmatige opzegging aan [verzoekster] betalen
3.17.
De door [verzoekster] gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging (gefixeerde schadevergoeding) zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [2] De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn. Hoewel [verzoekster] in het verzoekschrift is uitgegaan van een opzegtermijn van vier maanden, heeft zij tijdens de zitting erkend dat de opzegtermijn op grond van de cao twee maanden bedraagt. Bij een regelmatige opzegging op 7 juli 2025 had de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2025 kunnen eindigen, omdat tegen het einde van de maand moet worden opgezegd. Dat komt dus neer op 2,75 maand salaris (€ 1.857,93 inclusief 8% vakantietoeslag), een totaalbedrag van € 5.109,30 bruto (2,75 maand x € 1.857,93). Dat is een hoger bedrag dan waar beide partijen in hun berekeningen vanuit zijn gegaan, maar gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 7 maart 2025 [3] is het – net als bij de transitievergoeding – aan de kantonrechter om ambtshalve de vergoeding wegens onregelmatige opzetting te berekenen, omdat de wet nauwkeurige regels bevat voor de berekening van deze vergoeding. De vergoeding moet namelijk berekend worden door de hoogte van het loon te bepalen over de periode dat het dienstverband nog had voortgeduurd bij het in acht nemen van de geldende opzegtermijn.
De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 7 juli 2025
[verweerster] moet de transitievergoeding aan [verzoekster] betalen
3.18.
Het verzoek om [verweerster] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Alleen als [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft zij geen recht op een transitievergoeding. Deze uitzondering heeft een beperkte reikwijdte en moet volgens vaste rechtspraak terughoudend worden toegepast. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen verliezen in uitzonderlijke gevallen waarin evident is dat het handelen of nalaten van de werknemer dat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid niet slechts als verwijtbaar, maar als
ernstigverwijtbaar moet worden aangemerkt. De wetgever heeft als voorbeelden genoemd gevallen waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt.
3.19.
Ten aanzien van het opmaken van de factuur voor [bedrijf] is hiervoor al geoordeeld dat aan [verzoekster] een verwijt te maken valt, maar van ernstig verwijtbaar handelen is beslist geen sprake. Ten aanzien van het annuleren van de zakelijke boekingen, heeft [verweerster] het verwijt aan [verzoekster] gemaakt dat zij zakelijke gelden naar de privérekening van haar echtgenoot heeft overgemaakt. [verzoekster] heeft uitgelegd dat bij het maken van een zakelijke boeking de reis altijd op naam van een natuurlijk persoon (de hoofdboeker) moet worden geboekt en dat de bedrijfsnaam alleen in een open veld in het systeem kan worden vermeld. [verzoekster] zegt dat dit de gangbare manier van werken is en zij wijst er daarbij op dat bij een annulering altijd aan de hoofdboeker (dus een natuurlijk persoon) moet worden terugbetaald en dat dit de reden is dat zij naar de privérekening van haar echtgenoot heeft overgemaakt. Door [verweerster] is tijdens de zitting erkend dat de naam van de hoofdboeker een natuurlijk persoon moet zijn en dat het juist is dat het systeem zo in elkaar zit dat de terugbetaling aan de hoofdboeker moet worden gedaan. Volgens [verweerster] geldt dat het bij een zakelijke boeking niet mogelijk is om de terugbetaling te doen aan de hoofdboeker, omdat de terugbetaling moet worden gedaan aan het rekeningnummer waarmee de boeking is gedaan.
De kantonrechter stelt vast dat het systeem van [verweerster] voor zakelijke boekingen – waarvan slechts in een klein aantal van het totaal aantal boekingen sprake is – kennelijk niet sluitend is. [verweerster] had moeten zorgen voor een duidelijk beleid en uitleg ten aanzien van dergelijke zakelijke boekingen en annuleringen. Dit ontbreekt. [verweerster] heeft ondanks de door [verzoekster] gegeven uitleg ook geen navraag in de organisatie gedaan naar hoe anderen hier nu precies mee omgaan. Dat [verzoekster] bewust zakelijke boekingen heeft gemaakt met het doel die te annuleren en het geld naar de privérekening van haar echtgenoot over te maken blijkt nergens uit. Van enig verwijtbaar handelen op dit punt door [verzoekster] is dan ook niet gebleken.
Dat betekent dat [verweerster] de transitievergoeding aan [verzoekster] moet betalen. [4] [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die, anders dan door [verzoekster] is berekend, € 11.365,89 bruto bedraagt. De kantonrechter moet de hoogte van de transitievergoeding ambtshalve berekenen, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 7 maart 2025 [5] , omdat de wet nauwkeurige regels bevat voor de berekening van deze vergoeding. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 7 augustus 2025.
[verweerster] moet een billijke vergoeding betalen aan [verzoekster]
3.20.
Het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [6] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. [7]
3.21.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [8] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
3.22.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 23.000,00 bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
Vast staat dat [verweerster] na een dienstverband van ruim 18 jaar is overgegaan tot een niet rechtsgeldig ontslag en dat is ernstig verwijtbaar.
[verzoekster] is bij het berekenen van de hoogte van de billijke vergoeding uitgegaan van een periode van twee jaar werkloosheid. Volgens [verzoekster] is het gelet op haar haar huidige gezondheidssituatie en op haar leeftijd niet eenvoudig om op korte termijn weer werk te vinden binnen de reisbranche. Dat de leeftijd en nog niet optimale gezondheidssituatie van [verzoekster] haar kunnen belemmeren op korte termijn weer een nieuwe gelijkwaardige baan te vinden is aannemelijk. Dat het ontslag op staande voet haar naam heeft besmet binnen de reisbranche, zoals [verzoekster] ook naar voren heeft gebracht, is ook goed mogelijk. Maar omdat gebleken is dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, verwacht de kantonrechter dat dit [verzoekster] niet meer in de weg hoeft te staan bij het vinden van een baan in deze branche. Verder heeft [verweerster] tijdens de zitting ook bevestigd dat zij [verzoekster] niet aan het concurrentiebeding zal houden en dus de mogelijkheden binnen de reisbranche volledig openhoudt. Wat wel kan tegenwerken bij het vinden van een nieuwe baan voor [verzoekster] is dat [verweerster] tijdens de zitting heeft gezegd geen inhoudelijke referenties over [verzoekster] te willen geven aan potentiële werkgevers.
Al deze factoren afwegend vindt de kantonrechter het billijk om uit te gaan van een periode van een jaar om een andere baan te vinden tegen een vergelijkbaar loon. De eventuele door [verzoekster] te ontvangen WW-uitkering zal de kantonrechter daarop niet in mindering brengen, omdat [verzoekster] door het onterechte ontslag vroegtijdig haar WW-rechten moet aanspreken. Het loon over de periode van een jaar rondt de kantonrechter af op een bedrag van
€ 23.000,00 bruto.
3.23.
[verweerster] heeft er nog op gewezen dat het dienstverband, ook zonder ontslag op staande voet, niet lang meer zou hebben geduurd, omdat zij dan een ontbindingsverzoek wegens verwijtbaar handelen en een verstoorde arbeidsverhouding zou hebben ingediend.
Op basis van de informatie die in deze procedure is komen vast te staan, is de kantonrechter van oordeel dat dit geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou hebben opgeleverd.
3.24.
[verweerster] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 23.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf 14 dagen na de datum van deze beschikking tot de datum van volledige betaling.
[verweerster] moet nog een bedrag aan compensatie-uren betalen
3.25.
De nog openstaande compensatie-uren worden toegewezen, omdat [verweerster] niet heeft weerlegd dat [verzoekster] die uren nog had openstaan. [verzoekster] heeft ook uitgelegd dat deze uren niet op de loonstroken vermeld staan, maar in het roosterprogramma. [verweerster] heeft tijdens de zitting gezegd dat zij hier niet naar gekeken heeft dan wel dat zij daar geen inzicht in heeft gehad. Het bedrag van € 330,80 bruto is niet betwist, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. Ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover zal worden toegewezen.
[verweerster] heeft alle vakantiedagen aan [verzoekster] al uitbetaald
3.26.
[verzoekster] maakt nog aanspraak op een bedrag van € 1.926,41 aan niet uitbetaalde vakantiedagen. [verweerster] heeft er tijdens de zitting op gewezen dat zij naar rato per datum uitdiensttreding alle openstaande vakantiedagen aan [verzoekster] heeft uitbetaald. Het saldo dat in het begin van het jaar op de loonstroken stond vermeld heeft betrekking op het saldo over het volledige kalenderjaar. Nu dit een gebruikelijke werkwijze is en dit door [verzoekster] ook niet is betwist, zal de vordering tot betaling van openstaande vakantiedagen worden afgewezen.
[verweerster] moet nog reiskosten en parkeerkosten aan [verzoekster] betalen
3.27.
Tijdens de zitting heeft [verweerster] erkend de gemaakte reiskosten en parkeerkosten van [verzoekster] voor het bezoek dat zij aan het hoofdkantoor op 23 juni 2025 aan [verzoekster] te moeten betalen. De hoogte van die kosten is ook niet weersproken, zodat de door [verzoekster] verzochte bedragen zullen worden toegewezen. Omdat deze onkostenvergoedingen niet zijn aan te merken als loon, zal de wettelijke verhoging daarover worden afgewezen. Wel is de wettelijke rente toewijsbaar, op de in de beslissing vermelde wijze.
[verweerster] moet de proceskosten betalen
3.28.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat [verweerster] ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] . De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.681,00, bestaande uit € 732,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 23.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 5.109,30 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag van de volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 11.365,89 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
4.4.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] het door haar ten onrechte verrekende bedrag van € 3.440,62 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente, vanaf de datum waarop de eindafrekening heeft plaatsgevonden, tot de dag van volledige betaling,
4.5.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 330,80 bruto aan compensatie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente, vanaf de datum waarop de eindafrekening heeft plaatsgevonden, tot de dag van volledige betaling,
4.6.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 45,22 aan reiskosten en € 4,69 aan parkeerkosten voor haar bezoek aan het hoofdkantoor op 23 juni 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de datum waarop de eindafrekening heeft plaatsgevonden, tot de dag van volledige betaling,
4.7.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van € 1.681,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [9] ,
4.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Voetnoten

1.Zie bijv: Hoge Raad, 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1668.
2.Artikel 7:672 lid 11 BW Pro.
3.Hoge Raad, 7 maart 2025,
4.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro.
5.Hoge Raad, 7 maart 2025,
6.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
8.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
9.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.