Uitspraak
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De achtergrond van de zaak
- [verweerder] zou de functie van ‘ [functie 3] ’ gaan vervullen,
- de functie werd, conform het functiehandboek, ingedeeld in functiefamilie 06A, functiegroep 8, salarisgroep G/8 en met functiejaren 7,
- het salaris van [verweerder] , dat op dat moment € 4.591,38 bruto per maand bedroeg, werd bevroren en zou vanaf 1 maart 2022 bestaan uit een vast salaris van € 3.080,00 per maand en een persoonlijke toeslag van € 1.511,38 bruto per maand. Eventuele CAO verhogingen werden berekend over het vaste salaris en in mindering gebracht op de persoonlijke toeslag, totdat de persoonlijke toeslag volledig was afgebouwd,
- pensioen, overwerk, vakantiegeld en andere salariscomponenten werden berekend over het volledige salaris,
- reisuren zijn in de nieuwe functie niet van toepassing, reiskosten wel.
“Client kan zich niet van de gedachte onttrekken dat uw cliënte achteraf een brief heeft gefabriceerd waarin de functie van client hoger zou zijn ingeschaald om vervolgens na een functiewijziging aanspraak te kunnen maken op artikel 36 lid 2 sub b. Indien op enig moment zou blijken dat hiervan sprake is, houdt client zich het recht voor aangifte te doen tegen uw cliënte.”
4.Het verzoek en het verweer
5.De beoordeling
Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing indien de onderhavige vergoedingen zijn inbegrepen in het salaris. Dit moet blijken uit een schriftelijke verklaring van de werkgever die dient te worden verstrekt vóórdat de vergoeding in de beloning wordt inbegrepen.
Indien de werknemer voor het verrichten van karweiwerkzaamheden moet reizen, zal de werkgever hem de reistijd als volgt vergoeden:
De in lid 2 sub a en b genoemde reistijd komt alleen voor vergoeding in aanmerking voor zover de werknemer langer heeft moeten reizen dan hij normaal nodig heeft naar de plaats waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan.”